106 CONSTANCE CHORLEY.
op een verwijtenden toon, dien hij niet gewoon was te gebrui- ken en die daarom te meer indruk maakte. – “CONSTANCE, gij luistert niet naar mij met verschuldigden eerbied. Gij begrijpt mijne handelingen niet. Later zult gij dat. Wacht en zwijg; gij zijt maar een kind. Wacht, zeg ik, en zwijg.”
Er lag een glimp van bedreiging in deze laatste woorden. Het kind gevoelde dit en sidderde; maar zij had slechts tweeër- lei redmiddel – hem te treffen en tot inkeer te brengen, of wel iets zoo bitters, dat zij daartoe nog niet besluiten kon. Zij staarde hem in het donkere gelaat en riep uit:
“Vader, gij zult dat geld niet nemen – o lieve, lieve vader, beloof mij dat gij het niet zult doen, en dan zal nooit iemand van mij weten dat gij –” Hier verhief zich de trillende waar-schuwende hand, en zij hield op.
“Ik moet CONSTANCE! Ziet gij niet dat ik moet?”
“Waarom, vader?”
“Omdat zij weten zouden dat ik eene beweegreden moet heb-ben tot zulk eene weigering – en er kan slechts één zulke zijn.”
“O vader, zeg hun dat gij verkeerd deedt en dat u dat leed doet!”
De heer CHORLEY stond op met luiden lach – het denkbeeld was zoo belagchelijk! Toch was er geen vrolijkheid in dien lach, noch in zijne gewaarwordingen, terwijl hij in de kamer op en neêr stapte.
“Vader, ik bid er u om!” pleitte steeds de ernstige kinder- stem. “Zij weten hoe hard gij werktet om den brand te blus- schen. En ik zal hun nog veel meer zeggen, en dan zult gij nooit meer bevreesd zijn dat iemand het mogt ontdekken, en o vader! nooit zoudt gij mij aanzien zoo als gij daar straks deedt.”
“CONSTANCE, zijt gij gek? Ik bid u, wees bedaard.”
“Vader, dat kan ik niet. Zeg hun wat gij wilt, maar neem dat geld niet. Zeg dat gij het niet noodig hebt.”
“Maar ik heb het noodig. Zonder dat ben ik verloren. Ik ben die gansche som schuldig.”
“Dan vader, laat ons heengaan naar eene andere plaats. O, ik zal zoo voor u werken en u zoo – zoo – liefhebben, va-