CONSTANCE CHORLEY. 105
zelde verder te zeggen, en van toen af wist zij dat zij alleen stond op de wereld. Hare moeder was dood, haar vader – er- ger dan dat! De laatste aardsche hoop van het arme kind, de hoop op de beschermende liefde eens vaders, was verdwenen, en in de plaats daarvan trad schrik voor zijne tegenwoordigheid en de treurige overtuiging dat er tusschen hen een geheim be-stond dat voortaan alle hoop op wederzijdsch vertrouwen onmo-gelijk maakte. Hij, van zijnen kant, had nu berouw van zijne drift, en begon te begrijpen – al was dat ook nog zoo ongaarne – dat hij hier een nieuw bezwaar te bestrijden kreeg, een bezwaar waarvan hij zich bewust was dat het hardnekkig zou zijn. Maar hij begon te redeneren – CONSTANCE’S vrees te stillen – zich-zelven te verdedigen tegen de afschuwelijke beschuldiging, die in hare woorden lag opgesloten. “Beschuldiging” – dat was zijne uitdrukking. Als slechte daden niet als zeepbellen kunnen worden weggeblazen dan spreken wij daarvan als beschuldigin-gen, en vinden verligting in denk klank van dat woord.
“Nu kind, ga zitten, en laat ik u dat eens uitleggen.”
“Ja, vader.”
“Ik heb aan die maatschappij heel wat geld betaald – meer dan de som die zij mij nu zal uitkeeren.”
“Ja, vader,” zei het kind, zich verbeeldende, waarom wist zij niet, dat hierin eenige waarheid zijn kon. “Toen de zaak beter was, en de voorraad grooter, verzekerde ik mij voor het volle bedrag, en ik verminderde dat niet toen de tijden slechter werden en de voorraag verminderde.”
“Neen, vader, ik weet dat gij mij eens zeidet niet te willen, dat de maatschappij zien zou hoe gij achteruit gingt.”
“Gekkenpraat! Zoo iets zeide ik nooit – kon dat nooit zeg- gen. Maar gij wilt niet luisteren, CONSTANCE!”
“O ja, vader, ik wil wel!” en terwijl zij zoo sprak biggelden groote tranen langs hare wangen. Maar de heer CHORLEY, zijn eigen inzigt raadplegend, zag dat hij eene wanhopige taak voor-had – dat dat kleine nietige kind een onverbiddelijk regter was, voor wie al zijn behagelijk zelfbedrog te loor ging en tegen wie al zijne hooggeschatte afgoden bij de minste aanraking zou-den verbrijzeld worden. Dus zeide hij, op zijne deftige wijze en