CONSTANCE CHORLEY. 103
de maatschappij eischen – neen, zelfs niet al had hij, volgens zeggen van den beambte, die maatschappij honderden bevoordeeld door zijne persoonlijke heldhaftigheid. “Wel, alles goed bezien, was dit een gelukkige afloop – veiliger, ja veel veiliger dan wanneer alles naar zijne eerste bedoeling ware uitgekomen.”
Ja, hij was nu bevrijd van zijn eenig en geheim bezwaar. Eene schuld van vijftig pond had den ouden heer sedert eenigen tijd zwaar gedrukt, en was later van zoo dringenden aard ge-worden, dat zij voor een goed doel den beangsten schuldenaar tot den gevaarlijken stap had gevoerd, die thans was volbragt. Maar dat alles had nu plaats gemaakt voor den gullen lach der fortuin. Van het gesprek der beide mannen had CONSTANCE geen woord verloren.
Het bleeke gelaat had eene droeve maar zonderling kalme uitdrukking gekregen; alleen voor den kleinen DUKE behield het de hemelsche schoonheid, die hij bij de rook en vlammen van dien ijsselijken nacht daarop had bewonderd. Hij scheen haar schier te aanbidden gedurende de weinige dagen, die hij nog thuis doorbragt. Hij volgde haar van de eene kamer in de an- dere. Stilzwijgend zag hij tot haar op en stak haar de lippen toe om een kus, als hij soms een traan in haar oog zag blink- ken; geen enkel uur verliet hij haar. Maar de heer CHORLEY zond hem terug naar de school, en het meisje verloor hiermede al den zonneschijn, die haar leven nog verhelderde.
En toch was zijn afzijn, in zekeren zin, eene verligting – vooral des avonds, als zij daar alleen zat, peinzende over het leed dat eene andere groote gebeurtenis welhaast brengen zou, evenals zij gepeinsd had dien avond vóór den brand. Maar dit-maal maakte zij zich gereed tot veel harder strijd dan zij toen te voeren had, hoewel, misschien, DUKE dit niet zoo zou heb- ben ingezien. Zij wist dat haar tijd nu daar was; want haar vader, die zich na het vertrek van den agent verdiept had in zijne rekeningen, kwam nu binnen zacht fluitende, zoo als hij dat gewoon was als hij voldaan was over zijn werk. Zij stond op, stak de kaart in haar zak, vouwde haar werk op, en hem aanziende toen hij de kamer binnentrad, zeide zij op vasten, ernstigen, schoon eenigzins schorren toon: