De Gracieuse 1862 | Page 109

CONSTANCE CHORLEY. 101

baar – innig dankbaar. Zijne zaak had een grooten sprong vooruit gemaakt, want iedereen wilde zijne deelneming betoonen in zijn ongeluk, en zijne bewondering over zijn moed, door in den winkel een nieuwen aankoop of eenige bestelling te doen. Dien middag was er de agent geweest met zijn boek, en had het beschadigde eigendom opgenomen. Toevallig kwam hij op het thee-uur van den heer CHORLEY, toen het vertrek vervuld was met den geur der geroosterde en geboterde koeken en der Mokka-koffij, ’t welk alles onweêrstaanbaar was voor den heer ROWBOTHEM, en dien namiddag al heel toevallig juist op tafel stond, schoon de heer CHORLEY, naar zijn zeggen, eigenlijk zelf aan thee de voorkeur gaf. De overredende stem van den heer CHORLEY was naauwelijk noodig, om hem te doen aanzitten en zich te verfrisschen, alvorens aan de zaken te gaan. In den loop van het gesprek merkte de heer CHORLEY aan dat hij, voor eigen gebruik, een naauwkeurigen staat had opgemaakt van de beschadigde goederen, en de heer ROWBOTHAM, die niet van noodelooze moeite hield, verzocht dien te zien, en, terwijl hij het geschrevene inzag, verklaarde hij niet langer misbruik te zullen maken van den tijd door al die punten nogmaals na te gaan. Zoo waren de zaken, niet heel zakelijk behandeld wor-dende, spoedig begrepen en afgedaan. De heer ROWBOTHAM ge-voelde, dat het geene zaak was om zoo bijzonder streng toe te zien op de naauwkeurigheid van elke opgave van het verlies of van de juiste schatting daarvan. Was het niet uitgemaakt dat de maatschappij, alleen ter wille van de zelfopoffering en het levensgevaar van den dapperen ouden heer, wel drie- of vier-maal dat bedrag had moeten betalen? De agent gevoelde dat het niet alleen ongehoord, maar vernederend was voor de waar-digheid der maatschappij en zijn eigen eergevoel, om daar te zitten dingen met zulk een achtingswaardig man, zulk een gul- len gastheer en zulk een oud handelsman. Diensvolgens nam hij den staat van den heer CHORLEY met volle goedkeuring aan, en schreef daaronder: “Ik ben verzekerd van de juistheid, en mogt het bestaanbaar zijn met de inzigten van het bestuur om den ijver in rekening te brengen, die betoond werd tot redding van het bedreigde goed, dan zou, in dit geval vooral, hunne