100 CONSTANCE CHORLEY.
schitterden zijne oogen, bij het herdenken hoe hij, hier ten minste, de held was dien hij beschreef. Juist op dien oogenblik stormde de agent der waarborgmaatschappij verhit en driftig het vertrek binnen, en deed eene menigte haastige vragen die met ernst en opgewondenheid beantwoord werden, zoodat hij, getroffen door al die vereenigde loftuitingen, den hoed afnam, op den ouden heer toetrad en zeide.
“Ik moet u, mijnheer CHORLEY, uit naam der maatschappij en in tegenwoordigheid van allen hier, dank zeggen voor uw moedig, bewonderenswaardig gedrag.” En toen volgde er eene luide toejuiching, en de menschen kwamen en schudden den ouden man de hand, en zeiden hem zooveel schoons, dat hij, ten allen tijde een hoogst gevoelig man waar het zijn eigen per-soonlijke schande of eer gold, geheel overweldigd werd door het gevoel van zijn verdienstelijkheid en zich afwendde me tranen in de oogen.
Voorwaar hij zou op dat oogenblik dien kant niet hebben heengezien, had hij gedacht aan den blik die hem wachtte – een blik die droevig en ernstig, als het oog van een beschuldigen- den engel, den loop stuitte van die eerlooze tranen, en ze te-rugdreef naar haar lagen oorsprong.
Nu werd er gedronken op de gezondheid van den ouden heer, en tal van gelukwenschingen volgden; maar het kind zag niets meer, hoorde niets meer, zij wendde het hoofd naar den muur, vol afkeer van het leven.
IV.
Op zekeren avond zat Constance alleen in de kamer achter den winkel. Zij keek aandachtig op eene kaart, die zij op den schoot had, en die zij af en toe verborg onder haar werk, om, met het hoofd tegen den haard geleund, zich in droevig gepeins te verdiepen. Eenige weken waren voorbijgegaan, en de heer Chorley had op wonderdadige wijze gewonnen bij de gevolgen van den brand. Het getij van den voorspoed was gekomen – wel wat anders, wij moeten het bekennen, dan hij zich dat had voorgesteld – maar toch het was gekomen, en hij was dank-