CONSTANCE CHORLEY. 99
len en haar te vernietigen. Dat zwaard, zij zou het kunnen ontkomen, had zij slechts kracht om het te willen; maar hare denkkracht schijnt als verlamd en staat tusschen leven en ster-ven; zij kan niet handelen.
Doch eensklaps barst zij los in een woest onzinnig gelach – wat ziet zij? Een gelaat – een menschelijk gelaat! Hoe schoon, hoe wonderschoon voor het kind, omdat het menschelijk is! Nog één oogenblik keert al hare denkkracht terug, hare pol- sen vullen zich met vernieuwd leven, hare ooren verzadigen zich aan de heerlijke muziek eener menschenstem, zij voelt zich om-vat door sterke menschenarmen – en andermaal is zij bewus-teloos. En toen daarna het bewustzijn wederkeerde, was alles onduidelijk en benaauwend, tot zij, volslagen uitgeput, in een rustigen kalmen slaap verzonk.
Toen zij ontwaakte was zij weêr geheel haarzelve, en kon zij zich al de gebeurtenissen van den nacht te binnen brengen, tot op den tijd dat haar vader haar verliet, maar daarna was haar alles onbekend. Zij opende de oogen om te zien, waar men haar had neêrgelegd. En, zonder het hoofd om te wenden wist zij door het patroon van het behangsel te zeggen dat zij in het spreekvertrek van den heer Fleck was en begreep zij daarheen te zijn gedragen uit den brand. Zij was op het punt zich op nieuw over te geven aan den slaap, die haar telkens beving, toen zij plotseling dacht aan haar vader. met beschaamde wan-gen bedacht zij hoe welligt hij, terwijl zij daar zoo in kalme rust nederlag, hier of daar zich verborg in een donkeren hoek van de straat, ter prooi aan naberouw en lijden; en het kind kromp ineen van ontzetting bij die nieuwe vrees. – “Misschien hebben zij hem ontdekt en naar de gevangenis gebragt!” Zij steunde op den bezeerden arm en keek rond. Daar stond DANIËL CHORLEY, omgeven van eene bewonderende groep, en vertelde met veel welsprekendheid van het uitbreken en voort-woeden van den brand. Hij sprak van zijn schrik bij de eerste ontdekking der vreeselijke ramp, van zijne inspanning en zijn gevaar bij het redden zijner kinderen; en naarmate hij het slot van zijn verhaal naderde, waarin maar gloed kwam omdat er de meeste waarheid in lag, kleurden zich zijne wangen en