98 CONSTANCE CHORLEY.
de deur naar het venster liep, begon in hare volle lengte als overdekt te worden met kleine knetterende nu eens opstijgende dan weêr ineen krimpende vlammen. CONSTANCE, onmiddellijk daaronder liggende, was zich alleen flaauw bewust van het kra-ken van het drooge hout, en van een levendig, verblindend licht, dat haar deed verlangen naar duisternis, van welken aard die ook zijn mogt; maar zij gevoelde dat zij sterven zou voor het vuur haar bereikte. Bij die pijn in al hare leden, dat lijden aan handen en voeten, en dat hevige bonzen in haar hoofd was haar de voorstelling van te blijven leven en weêr tot rust te komen eene volgslagen onmogelijkheid. Zij moest sterven, en de verdooving die haar langzamerhand beving, scheen de nadering des doods – en zij beproefde te bidden. Maar haar geest dwaalde af – niet naar den brand – zij was zich dien naauwelijks meer bewust – maar ver terug in het verleden – zooals in zulke oogenblikken de geest heendwaalt als zoekende naar den eersten levenstijd om dien vast te knoopen aan het einde en den gan-schen voltooiden cirkel te overzien.
Minuten groeiden tot uren, terwijl zij daar lag, blind voor het licht, doof voor het geraas in dat schemerlicht des doods dat haar denkvermogen benevelde. Wat de nacht zijn zou, wanneer die kwam, of daar maan of starren zouden zijn, zij vroeg niets van dat al, maar zij zag hoe de schaduwen grooter werden en bleef zwijgen.
Nu was het haar, als stond zij aan haar moeders sterfbed, het oor scherpende om de laatste woorden op te vangen. Hoe duidelijk hoorde zij die nu! Zij herhaalde ze bij zichzelve, zoo- als zij dat vroeger zoo menig keer had gedaan. “CONSTANCE, als u het leven bang is, mijn kind, en gij zoudt wenschen te sterven, denk dan aan den kleinen hulpelooze dien ik achter- laat, en leef voor hem, zooals ik voor u geleefd heb.” Het hart smacht er naar om te antwoorden “moeder, dat zal ik doen! dat zal ik zeker doen!” en het kind tracht hare leden te bewe- gen, maar het gezigt van dien brandenden balk verlamt haar; het monster waarmede zij den ganschen avond heeft geworsteld, heeft haar nu in zijne magt, en staat boven haar met een vlam-mend zwaard, dat heen en weer zweeft, gereed om neer te da-