De Gracieuse 1862 | Page 101

DE MAAND NOVEMBER. 93

zoekt, in een ander uur berekent hoeveel zakjes uit eene pens kunnen gesneden worden. Doch op het gevaar uwer ougenade af, mijne waardsten, laat mij ’t u met een woorde zeggen, dat het goed en nuttig en noodig is, dat eene jonge dame althans het voornaamste van die dingen weet, al ware het alleen om zich later niet bloot te stellen aan bedrog, of wat u misschien nog minder zou smaden, bespotting van de zijde der dienstboden.

Doch we kwamen ongevoelig op de vaderlandsche letterkunde. En zouden we daarop niet komen in de maand waarin de geboortedag valt van eene der ge-leerdste dames die ooit de Nederlandsche taal spraken, en de sterftedag van eene der kunstrijkste juffers die den Nederlanschen naam droegen, de eerste voor eenige jaren in hare veelzijdige kundigheden voorgesteld door een geleerd man, de laatste zeer onlangs door de voornaamste der vaderlansche schrijfsters van onzen tijd. Moet ik het u nog nader zeggen?

Ofschoon ANNA MARIA VAN SCHURMAN, dikwijls alleen SCHUURMANS genoemd, den 5den November 1607 te Keulen, en dus buiten de grenzen van ons vaderland het levenslicht aanschouwde, mag zij toch met regt onder de Nederlansche vrouwen worden gereken, daar zij een groot gedeelte van haar leven in Nederland doorbragt, in Nederland hare verbazende kundigheden heeft opgedaan en ten toon gespreid, en in Nederland – te Wieuwerd in Friesland den 4den Mei 1678 – overleden is. In kunsten en wetenschappen was zij zoo volkomen t’huis, dat het misschien gemak-kelijker zou zijn op te noemen wat haar min of meer vreemd, dan wat haar eigen was. Haar schrift wordt gerekent tot de beste voortbrengselen der penne-kunst. Keurig knipte zij bloemen van papier en fijn doek. In ’t boetseeren van was en in het beeldhouwen bereikte zij eene schaars geëvernaarde hoogte. De teeken-pen, het penseel en het graveerstift hanteerde zij tot bewondering van ieder die de voorbrengselen harer kunstige hand zag. De weinige borduurwerken, die nog van haar voorhanden zijn, worden door de dames van den tegenwoordigen tijd, aan wie zooveel beter hulpmiddelen ter dienst staan, onoverstrefbaar genoemd, en toch leerde zij die kunst in weinige uren. Maar ook de wetenschappen vonden in haar eene ijverige, allergelukkigste beoefenares. Vlug en sierlijk sprak en schreef zij het Fransch, Duitsch, Engelsch, Italiaansch en Spaansch; ja we houden het voor geen hoffelijke overdrijving, als Baillet, haar tijdgenoot, verzekert dat zij alle levende talen van Europa verstond, het Turksch niet uitgezonder. Ook het Latijn en Grieksch, benevens de Oostersche talen, het Hebreeuwsch, Arabisch, Syrisch, Ethiopisch, Koptisch verstond zij reeds op achttienjarigen leeftijd zoo, dat zij er brieven in schreef en haar roem door een groot gedeelte van het be-schaafd Europa weêrgalmde. En voegt daar nu bij, dat zij volkomen ervaren was in de geschiedenis, in de wis-, natuur- en sterrekunde; dat zij de doolhoven der wijsgeerige bespiegeling had nagevorscht; dat zij over geneeskundige vraagstukken zelfs door vermaarde artsen werd geraadpleegd; dat zij in de godgeleerdheid, naar de getuigenis van bevoegde beoordeelaars, een hoogleeraarambt zou hebben kunnen bekleeden. Men duizelt van zooveel kennis bij één mensch, bij ééne vrouw. Maar