De Gracieuse 1862 | Page 100

DE MAAND NOVEMBER.

“November, Slagtmaand, heeft 30 dagen” staat nog altijd in de almanakken. Dat November 30 dagen heeft, behoeven we aan onze geachte lezeressen niet te zeggen; maar dat deze maand bijna geen “slagtmaand” meer mag heeten, zal door de meeste jonge dames ook wel worden toegestemd. Indien zij in de vorige eeuw geleefd hadden, zouden zij wel anders gesproken hebben! Toen was het een drukte in November, ook voor de dochters van fatsoenlijken huize, als men in “de slag” was. Men kan zich daar, vooral in de steden, tegenwoordig geen denkbeeld meer van vormen, nu de slagersknecht het geheele jaar door met zijn blaauw of wit jasje aan en zijn mand aan den arm en het boekje in de hand aanbelt en vraagt wat men te bestellen heeft. Tot voor zeventig, tachtig jaren echter kon men alleen in de groote steden het geheele jaar door versch vleesch krijgen, en ook daar nog bragt de oude-Nederlandsche zuinigheid mede, dat men tegen den winter een heel of een half slagtbeest opdeed. ’t Was de taak der dochters van den huize alles te beredderen, terwijl de huisvader zorgde dat met het slagtvleesch ook een grooter of kleiner gedeelte van een varken werd t’huis gebragt, opdat het eene met het andere kon worden klaar gemaakt tot worst, hoofdkaas, beuling, rolpens en wat niet al – uitvindingen, ten deele om den smaak te streelen, maar vooral toch ook om niets te laten verloren gaan. Indien onze beminnelijke lezeressen kennis hebben gemaakt met den geestigen Spectator – niet van den ouden heer SMITS, maar van eenen anderen, uit de vorige eeuw, van JUSTUS VAN EFFEN, zullen zij zich zeker herinneren die twee levendige schetsen: THIJSBUUR’S OSJE en PIETER’S VARKEN, waarin het huiselijk ver-maakt bij het slagten van een rund en van een varken zoo onderhoudend worden beschreven, dat men alles als het ware voor zich ziet. Maar – opregt gespro- ken, we vreezen, dat zulke juweelen onzer vroegere letterkunde niet genoeg aan onze jeugdige vriendinnen bekend zijn. Het: “men kan die dingen niet meer onder de oogen krijgen,” laten we niet als verontschulding gelden; want nu de wak- kere KRUSEMAN ook spectatoriale vertoogen van VAN EFFEN in die keurige boekjes met roode bandjes en verguld op snede verkrijgbaar heeft gesteld, en de even wakkere ROELANTS er mede zijn werk van heeft gemaakt, behoeven onze jonge dames den neus niet meer op te trekken over de ouderwetsche vormen, naar welke men zich vroeger moest schikken om kennis te maken met een MAURITS LIJNSLAGER, een HILLETJE BUISMAN en meer andere vruchten der menschkunde, levendige voorstelling en geestige scherts van onze oudere schrijvers.

Gij zult het zeker niet onaangenaam vinden, mijne waarde jonge dames, dat ik zoo zoetvoerig van de slagt op de letterkunde kwam; want al is het, dat men in vele huisgezinnen, vooral te platten lande, nog worst stopt en rolpenszakjes naait; – het wordt toch meer en meer zeldzaam, dat dezelfde band die de haak-naald voert, ook het worsthorentje hanteert, en hetzelfde oog dat zefierwol uit-