Daarna wordt het laatste van voering vervaardigd; op het
gedeelte vlak onder de split zigtbaar, legt men een reep van
de bovenstof 4 d. breed, zet de zakjes vervolgens tegen de
afgeknipte randen van het insnijdsel, en legt er aan de ein-
den in de dwarste een klein rijtje stiksteken langs. De split
die op zijde van A tot van boven aan den rand open blijft
krijgt aan de voorste helt van den pantalon een smallen
zoom, aan het achterste gedeelte zet men er een reep der
stof 3 d. breed aan; dit randje dat er alzoo onder komt
wordt langs het gepunte lijntje met een rijtje stiksteken vast-
gehecht. Als men aan den bovenkant van elk gedeelte van
den pantalon 4 plooijen heeft gelegd door naar fig. 26 kruis
op punt te hechten, dan zet men hem naar de gelijkluidende letters op de knippatronen tusschen de twee gedeelten van het boord, dat eerst met knoo-
pen en knoopsgaten moet zijn voorzien. Van onderen moet men in den rand
van den pantalon een smal elastiek bandje in den zoom leggen, en daarna het patten-garnituur vervaardigen. Deze pattes worden naar fig. 29 eerst elk afzonderlijk geknipt en geboord, met een rij stiksteken en met knoopen voorzien, dan op elkaar genaaid en eindelijk met A en K op dezelfde letters op den naad aan de buitenzijde met elk der
punten op den pantalon vastgehecht.
Voor het vest moet men slechts de voorstukken uit de bovenstof naar fig. 30 knip-
pen, de rug naar fig. 31 uit shirting dubbel en aaneen, waarbij men de dunne lijn op
de dubbel toegevouwen stof legt; het gespboordje wordt, mede dubbel genomen; hiervoor knipt men eveneens uit shirting naar fig. 32 twee gelijke deelen. Nu maakt men voor
de kleine zakjes welke er aan den verkeerden kant tegen aan worden gezet, in de
voorstukken langs de dubbele lijn op fig. 30 eene insnijding, aan de einden geeft
men er nog een klein dwarsknipje in, vervolgens worden de afgeknipte ran-
den geboord, en legt men rondom het zakje eene rij stiksteken. De voor-
stukken worden in de rondte geboord en mede met een rij stiksteken
voorzien; aan het linker zet men er aan de voorzijde een reep der
bovenstof 3 d. breed onder, waarna men beide voorkanten met
knoopen en knoopsgaten voorziet. Hierna worden de ver-
schillende gedeelten van L tot M en van N tot O met
elkaar verbonden; men naait in den laatsten naad het
gespbandje, kruis aan kruis en punt aan punt mede,
en hecht het daarna nogmaals 8 duim van den naad af op den rug vast. Het armsgat wordt ook geboord, waarna men er mede eene rij stiksteken
langs legt.
Voor de jaquette moet men den rug naar fig.
34 aaneenknippen, en daarbij de dunne lijn op de dubbel toe-
gevouwen stof leggen, voor elk der mouwen en voor de voor-stukken naar fig. 33 en 35 twee stukken. Vervolgens wordt in
het linker voorstuk naar aanwijzing op fig. 33 eene insnijding
voor het naar binnen hangende borstzakje, dat 12 d. diep is, gemaakt, de afgeknipte randen moeten even als die van de in-snijding in het vest geboord en met een rij stiksteken versierd
worden. Als de
rug met de voorstuk-ken volgens de gelijk-luidende letters op de knippatronen is ver-bonden, dan worden de laatsten aan den binnenkant langs de voorzijden met een reep der bovenstof ongeveer 5 d. breed voorzien; een dergelijke reep 2½ d. breed loopt ook van onderen om de jaquette en om het uitsnijdsel van den hals. Ver-
der worden deze randen geboord, en boven aan den hals met twee
knoopen en knoopsgaten
voorzien. De
mouw moet men
van F tot U aan elkaar naaijen, aan den rand van onderen boren,
met eene rij stiksteken voorzien, er het pattengarnituur opleggen
en met V op V in het voorstuk in het armsgat zetten, nadat men
eerst in het onderste gedeelte van de mouw eene plooi heeft gelegd.
Nu moet men de voorstukken nog met de pattes garneeren welke men naar fig. 33 op dezelfde wijze als die voor den pantalon vervaardigt en
daarna op de jaquette vastnaait.
Mantel (Havelock) voor knapen van 5—7 jaar.
Afb. No. 18. Knippatr. vooz. Van het Supplement No. III, Fig. 10—13.
Mantels voor knapen worden nog altijd bij voorkeur naar den zoogenaamden Havelock-
vorm genomen. Het model waar-van wij hiernevens de afbeelding en knippatronen geven, verschilt in zoo verre van het vroegere meer eenvoudige fatsoen, dat het
onder den kraag die over den arm heen komt, nog een gedeelte van een vest van denzelfden vorm doet zien, dat zoowel langs het armsgat als ook aan het begin van het zakje met het voorstuk verbonden is. Ons model van roodachtig-grijs zomerfluweel ver-vaardigd, is rondom den buitenrand met blaauw cachemir geboord, waarvan de om-slag die aan de verkeerde zijde ligt op de regter met een rij stiksteken met blaauwe zijde er op is vastgehecht. De mantel wordt met groote geoxydeerde knoopen gesloten. Men heeft voor dit model 100 d. stof, 130
d. breed noodig.
Naar fig. 10 worden de voorstukken ge-knipt en ook naar hetzelfde patroon de twee gedeelten van het vest die daarop met een dunne lijn zijn aangegeven. Naar fig. 11 knipt men de twee stukken voor de pele-rine, en naar fig. 12 den rug aaneen en eindelijk het kleine kraagje naar fig. 13 ook aaneen maar uit dubbele stof; het laatste wordt aan den verkeerden kant op elkaar genaaid, dan naar buiten omgekeerd, waarna men er aldaar, namelijk op de bovenzijde, eene rij stiksteken langs den rand op legt. De twee gedeelten van het vest en de voor-stukken worden nu van voren en van on-deren geboord, de eersten elk aan een voor-stuk langs het armsgat vastgenaaid en wel zoodanig dat als het vest weder op het voor-stuk is omgeslagen, de naden tusschen de twee gedeelten van de stof inliggen. ¾ d.
van den buitenrand af worden de twee stukken nogmaals
op elkaar gestikt. De insnijdingen voor het zakje moeten
in beide de gedeelten geknipt en met een reepje van de
stof geboord worden, na alvorens een lap voor het zakje
ongeveer 17 d. lang en 16 d. breed in het voorstuk aan
de verkeerde zijde tegengezet te hebben, dit moet onge-
veer 1 d. boven de insnijding uitkomen. Hierop worden
fig. 10, 11 en 12 met eenen naad aan elkaar verbonden;
op den schouder vat men van R tot S en ook onder den
arm alle vier de gedeelten stof, het gedeelte van het
vest ingesloten, te zamen, terwijl men van S tot T slechts
de pelerine en het rugstuk, verder onder het vest de rug
en voorstukken tot U aan elkaar heeft te naaijen. Dit ge-
schiedt door middel van een achtersteekje, waarna men den bo-
vensten inslag van den naad over de anderen heen op den rug
vastzoomt. Van onderen wordt de mantel geboord en het linker voorstuk met
knoopen, het regter met knoopsgaten voorzien, waarna men er den kraag
met het dubbele punt op het dubbele punt en ster op ster opzet.
Gevlochten koord, als garnituur voor verschillende
kleedingstukken, gestoffeerde meubels enz.
Afbeelding No. 19—30.
De fransche en hongaarsche gevlochten koordranden worden te-
genwoordig zeer veel gebruikt om verschillende kleedingstukken
te garneren, en daar het vervaardigen van dit garnituur tot
het gebeid der vrouwelijke handwerken behoort, zoo willen
wij niet nalaten er de aandacht van onze abonnées op te
vestigen en haar tevens eene handleiding te geven tot
het zamenstellen van dit mode-artikel. Voor dit vlecht-
werk heeft men rond, digt geweven koord noodig,
dat men naarmate van de bestemming van het gar-
nituur van wit katoen, of gekleurde wol of zijde neemt.
Behalve eenige randen welke zeer gemakkelijke zijn
te vervaardigen, deelen wij heden voorloopid de be-werking van twee verschillende soorten van knoopen mede; op het gebruik dat men er van maakt zullen
wij bij eene nadere beschrijving terug komen. De vier randen die men
onder de afbeeldingen No. 19—22 ziet voorgesteld kan men ter garnering
van mantels en kleedjes, bijv. als lussen of belegsels, verder voor por-
tières en gestoffeerde meubels en met dikker koord uitgevoerd, ook als embrasses voor draperiën aanwenden. De afbeeldingen stellen de wijze van bewerking zoo duidelijk voor, dat wij er weinig zullen hebben bijtevoegen.
De opengewerkte rand No. 19 wordt met een eind koord uitge-
voerd. Nadat men er twee tegenover elkander liggende lussen in heeft gelegd, zoo als de
afbeelding dit aan het bovenste ge-deelte van het vlechtwerk te zien geeft, haalt men het andere eind
bij afwisseling nu aan deze dan aan gene zijde van boven naar onderen
door de voorlaatste ge-vormde lus op dezelfde wijze als bij het leggen
van een festonneersteek. Vol-gens de afbeelding No. 19 zou men dus tot voortzetting van het daarop voorgestelde vlechtwerk eerst het koord door de lus met een punt, daarna door die met een kruis geteekend, moeten halen.
De rand No. 20 wordt eveneens slechts met een eind koord gewerkt en wel over een dikke stalen naald in den vorm van een gaffel. Als men een stalen breinaald
in het midden gloeijend maakt, dan kan men haar gemakkelijk tot den hiernevens afge-beelden vorm buigen. Men begint met een gewonen knoop te leg-
gen en dezen om de twee naar boven gerigte einden van de naald heen te
slaan. Hierna haalt men van het koord dat men gebruikt een nieuwe lus door
die welke om de naald heen ligt, legt deze eveneens om de einden van de
naald en gaat hiermede regelmatige voort, waarbij men alleen maar moet zor-
gen dat bij het doorhalen van de lus het eind koord hetzij altijd aan de regter
of altijd aan de linker hand ligt; men kan dit niet bij afwisseling doen. Met
letter a geven wij op de afbeelding No. 20 eene lus te zien die op deze wijze
door de voorgaande opening is gestoken, met afbeelding b het eind koord dat
aan de linker hand afhangt en waarmede men het werkt moet voortzetten.
Als de naald geheel en al met het vlechtwerk gevuld is, dan schuift men het naar onderen
en een eind van de naald af, om het werk te kunnen voortzetten.
Afbeelding No. 21 geeft een rand te zien, die uit 4 koorden wordt vervaardigd hoewel
het vlechtwerk op zich zelve slechts met
drie einden wordt uitgevoerd; het vierde
blijft steeds loodregt in het midden han-gen, hoewel het den eenen keer over, den anderen keer onder de koorden
waarmede men vlecht komt.
Voor den gepunten rand No. 22 bezigt men insgelijks 4 koorden zoo als men dit duide-lijk op de hiernevensgaande afbeelding zien kan. Om het werk voort te zetten neemt men het eind koord met a geteekend, vlecht het regt liggende van de regter naar de linker zijde door de drie
andere koorden en laat het dan loodregt neer-hangen; op gelijke wijze handelt men met de einden door b en door c aangeduid. Door het laatste wordt echter de punt gevormd door het koord onmiddellijk weder van de regter naar de
linker zijde terug door de koorden b, a, d, te vlechten, en hiermede volgens de rij voort te
gaan. Met het eind d wordt daarna de tegen-overgestelde punt gevormd, zoo als deze op de
afbeelding aan het onderste gedeelte is voorge-
steld. het gelijkmatig aanhalen der koorden is
een eerste vereischte om een fraai vlechtwerk
voort te brengen.
Wij gaan nu over tot de beschrijving van de twee knoopen, waarvan wij vroeger spraken en
wel het eerst tot die van den
Capucijn knoop, dien men onder af-beelding No. 26 geheel voltooid ziet voorgesteld. Hij kan voor dikke franje worden gebruikt als men er het grelot-achtige figuur dat zich boven elken afzonderlijken draad franje bevindt, en uit
min of meer dik koord bestaat, mede wil voor-
stellen. Een dik, met regelmatige tusschenruim-
ten aldus vervaardigd koord zou mede zeer doel-
matig zijn voor schellenbanden, embrasses voor draperiën, zelfs ter versiering van gordijnen of
[16 April 1865. 3e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 65
No. 28. Bewerking van den gordiaanschen
knoop (tweede gedeelte).
No. 19. Gevlochten rand.
No. 20. Rand.
No. 25. Capu-
cijn knoop.
No. 24. Bewerking van
den capucijn knoop
(voortzetting).
No. 30. Gordiaan-
sche knoop.
No. 26. Capu-
cijn knoop.
No. 27. Bewerking van den gordiaan-
schen knoop (eerste gedeelte).
No. 23. Bewerking van den
capucijn knoop (Begin).
No. 29. Bewerking van den gordiaanschen
knoop (derde gedeelte).
No. 21. Rand.
No. 22. Gepunte rand.