De Gracieuse 13 December 1865 | Page 9

van het hermelijn geschiedt even als bij de mof. De kraag wordt met witte of gekleurde lustrine gevoerd, met eene tusschenvoering van mousseline, waarmede de hals van den kraag tegelijkertijd wordt omboord, zoodat zij

aan de rechte zijde ene weinig te voorschijn komt. Twee einden taffen lint,

elk 16 d. lang en 2 d. breed, dienen om den kraag van voren met een strik

te kunnen vastmaken.

Laag uitgesneden blouse met een breed ceintuur.

Afb. No. 53 en 54. Knippatr. van de blouse: keerz. v. h. Suppl. No. XI,

Fig. 39―41. Knippatr. van de ceintuur: keerz. v. h. Suppl.

No. XII, Fig. 42―46.

Het saizoen waarin men bals en groote soirées geeft is weder aangebro-

ken, en dan komt de mode steeds met schitterende gaven van haar vernuft voor den dag; wij durven het hierbij behoorende model wel daaronder

rangschikken; deze lieve ruime taille toch is uit wit neteldoek vervaar-digd, in plooien geschikt, met kant en tusschenzetsel versierd, en met smal en breed fluweelen of taffen lint gegarneerd. Het breede ceintuur met

lange écharpes is uit gekleurde taf samengesteld en met schuine fluweleen of taffen reepen in eene donkerder nuance, alsook met kant belegd. Het

spreekt van zelf dat het garnituur van de taille en van de ceintuur van

dezelfde kleur moeten zijn. Bij het vervaardigen van dit model legt

men eerst in een lap neteldoek die de vereischt wordende grootte

heeft, naar aanwijzing op de fig. 39 en 40 zoomen of plooien on-geveer 2 d. breed en knipt dan

daaruit naar fig. 39 de twee voorstukken, waarbij men aan elk aan den

voorkant op een zoom 2 d. breed rekent, naar fig. 40 den rug aaneen langs de dunne gladde lijn, en verder naar fig. 41 uit glad neteldoek de

korte mouwen. In de voorstukken worden zooals wij dit hebben voor-geteekend de borstplooien genaaid en in den rand van voren de zoomen gelegd, hierin de knoopsgaten gemaakt en de knoopen er opgezet, waarna men de verschillende gedeelten volgens de overeenstemmende letters verbindt, van onderen tusschen een boord 4―5 d. breed dat de

vereischte breedte heeft zet, en daarna rondom het uitsnijdsel van den hals en ook langs den zoom van het rechter voorstuk met het garnituur versiert. Het laatste bestaat uit twee kanten ongeveer 1½ d. breed, die

met de rechte kanten tegen elkaar aangekeerd en een weinig ingerimpeld worden;

het aanzetten wordt met een heel smal tusschenzetsel, waardoorheen gekleurde flu-weelen lintjes zijn gehaald bedekt. Men naait de mouw van C tot F toe, garneert

haar in de rondte in overeenstemming met de blouse met kant, en bovendien met

strikken van fluweelen lint rijkelijk 2 d. breed, elke punt van de mouw is met een

kleineren strik van hetzelfde lint versierd, terwijl een grootere strik met twee lussen elk 8 d. lang, en einden eens zoo lang, onder de kant tusschen de insnijding van de punten is aangebracht. Bij het inzetten van de mouw moet zij met C op C van het voorstuk sluiten; daarna wordt er de epaulette, die naar fig. 46 van de stof van de ceintuur geknipt, met een taffen voering en met garnituur is voorzien, volgens de overeenstemmende teekens op de rug- en voorstukken, op gezet. Voor de breede cein-tuur moet men eerst naar elk der knippatr. die wij daarvoor geven, twee gelijke ge-deelten uit bovenstof en voering (wit marcelline) knippen, de gedeelten voering en

bovenstof die bijeen behooren op elkaar rijgen, en dan volgens de overeenstemmende

letters aan elkaar zetten. Aan de linker zijde blijft de ceintuur open, en wordt

aldaar om haar te kunnen dicht maken, met haken en oogen voorzien. Men

moet het belegsel dat uit schuine reepen en kant bestaat, naar de aanwij-

zing op het knippatr. en naar de afb. uitvoeren; de écharpes die op

dezelfde wijze worden gegarneerd en waarvan de lengte en breedte

van den persoonlijken smaak af hangt, worden hetzij van achteren

of wel op zijde vastgehecht; in het eerste geval bedekt men het aan-

zetten van de écharpes van achteren aan de punt van de ceintuur

met een strik met lange lussen en einden, van het breede fluweelen

lint van het garnituur.

Winterhoeden.

Afbeelding No. 55―57.

In de voorlaatste aflevering gaven wij de modellen van de nieuwe win-

terhoeden à l’empire; heden voegen wij er nog eenige andere in het-zelfde genre, maar verschillend opgemaakt bij. ― Afb. No. 55. Hoed (fanchonvorm) van wit geplooid fluweel met bladeren in den vorm van

reepen van zwarte kant bedekt; deze loopen om den bodem heen, terwijl

twee rijen met witte kant er tusschen, dan bavolet vormen. De fond wordt

door lint en omhoogstaande strikkenlussen van wit fluweel afgesloten, terwijl op den eer-sten onder de lussen eene touffe bloemen van zwarte kant is aangebracht. Uit soortgelijke bloemen en een van wit fluweel, bestaat het garnituur binnen in den hoed. Wit taffen strik-banden. ― Afb. No. 56. Hoed (in den vorm van een kaper) van donkergroen fluweel, in doffen geschikt, de bodem en

pas zijn aaneen gesneden. Rond-om de laatste is een dof van verschillende lagen witte tulle

met witte taf er tusschen ge-legd, de bavolet wordt door eene breede witte kant ge-vormd. Aan de rechter zijde twee witte struisvederen en een kleine paradijsvogel met een langen staart. Wit taffen strikbanden. ― Afb. No. 57. Hoed à l’empire van donker-rood fluweel in strepen met plat zilverdraad doorwerkt. De fond en de pas zijn met rollen van dezelfde stof be-legd. Bovenop is de pas ge-

garneerd met een dof van

Mof en kraag voor kleine meisjes. Haakwerk.

Afb. No. 51 en 52. 5 lood witte zephirwol, 10 lood witte, 1 lood zwarte

castorwol, 30 d. wit taffen lint 2 d. breed, 32 d. wit zijden elastiek

band, witte lustrine, watten.

Deze beide modellen, zoowel de mof als de kraag zijn gehaakt, zij

bootsen het hermelijn volkomen na en kunnen gemakkelijk in alle groot-

ten vervaardigd worden.

Afbeelding No. 51. Mof.

Om deze mof te vervaardigen, werkt men eerst met de zephirwol in

heen en weder gewerkte toeren een open stokjesgrond, maakt hiervoor

een opzetsel van 64 steken en haakt daarop als 1ste toer: afwisselend 1 dubbel stokje (dubb. st.), 1 kett., met den laatsten 1 steek van het opzetsel overslaande. Het 1ste stokje aan het begin van elken toer, wordt gedurig door 4 kettingsteken gevormd. In de volgende toeren van den fond, die volgens ons origineel met 20 toeren voltooid is, maar echter naar verkiezing door nog eenige steken meer optezetten en door bij-

voeging van eenige toeren naar welgevallen vergroot kan worden, verzet men gedu-rig de stokjes. Om het hermelijn natebootsen, neemt men de castorwol, en werkt

hiermede in de bovenste kettingsteekrij van elken toer, alsook in den opzettoer in elk

eene rij franje. Men neemt hiervoor een knoophoutje 6 d. breed en voert, aan den

opzettoer beginnende, elke rij op de volgende wijze uit. Nadat men den draad aan

den eersten opzettoer bevestigd en eene lus op de naald gewerkt heeft, * slaat men

den draad eens om het houtje (dit moet gedurig dicht onder de kettingsteekrij liggen,

waarin men de rij franje werkt), steekt dan met de naald in den volgenden opzetsteek

en werkt dicht onder het houtje 1 h. v. st. Van * af herhalen. Na voltooiing van eene

rij wordt de franje in het midden doorgesneden en na alle rijen op deze wijze

vervaardigd te hebben, kamt men eerst elke rij afzonderlijk en dan het geheel

zorgvuldig uit. De zwarte bosjes (hermelijnvlokken) maakt men afzonder-

lijk, elk uit 4 of 5 uitgekamde wollen draden van 12 d. lengte, die vol-

gens de afb. in den kettingsteekrand worden ingeknoopt. Is de laatst

gehaakte toer met den opzettoer verbonden, dan haalt men de zij-

randen van de mof zoodanig in, dat er eene opening, groot genoeg om de hand te kunnen doorlaten, overblijft. Daarna wordt de mof van eene voering van watten en gekleurde of witte lustrine voorzien, die

echter een weinig nauwer en korter als de mof moet wezen. De watten

worden nog afzonderlijk in eene mousseline voering gehecht; in de zijranden van de lus-

trine waar zij aan de mof bevestigd worden, zoomt men een eind elastiek band 16 d. lang in. Ter versiering van de mof kan men aan de openingen een taffen strik aanbrengen, die met de kleur van de voering in overeen-

stemming moet zijn.

Afbeelding No. 52. Kraag.

Ook deze kraag kan naar welgevallen vergroot worden, daar men hem

dan ook met een grooter opzetsel begint en dan naar vereischte afmindert.

Volgens het oorspronkelijke heeft het opzetsel 114 steken. De fond wordt

met zephirwol en op dezelfde wijze als de mof gewerkt, evenwel slaat men aan het begin als ook aan het einde van den 2den tot den 6den toer telkens 2 steken over, zoodat elk van deze toeren door 4 steken verkort worden; bovendien slaat men nog in het midden van den 3den tot den 5den toer telkens 2 steken over, zoodat de 6de toer, waarin men niet in het midden mindert, 98 steken of 49 stokjes telt. Om den kraag van achteren in het midden puntvormig te verlengen, laat men aan het begin van den 7den toer 16 steken on-bewerkt en begint den toer in den 17den

steek, haakt 8 halve stokjes, 4 gewone

stokjes, dan dubb. st.; het spreekt

van zelf dat dezelfde bewerking,

echter in tegenovergestelde

richting, ook aan het einde

van den toer geschiedt, waar

men dan ook 8 st., dus 16 ste-

ken in het geheel onbewerkt laat. De laatste toer van den fond vormt de ronding van den hals en wordt met h. v. st. gewerkt, waarbij men insgelijks naar vereischte hier en daar enkele steken

van den vorigen toer over-

slaat. Het nabootsen

No. 53 en 54. Laag uitgesneden blouse met een breed ceintuur.

Knippatr. van de ruime taille: keerz. v. h. Suppl. No. XI, Fig. 39―41. Knippatr. van de ceintuur: keerz. v. h. Suppl. No. XII, Fig. 42―46.

No. 51. Mof voor kleine meisjes. Haakwerk.

No. 48. Onderlijfje (desus de corset).

Knippatr., voorz. v. h. Supplem. No. II, Fig. 2―5.

No. 49. Blouse

“à revers” Knippatr.

voorz. v. h. Supplem.

No. III, Fig. 6―12.

No. 50. Blouse

“bouillonée”

Knippatr. voorz. v.

h. Supplem. No. IV,

Fig. 13―16.

No. 52. Kraag voor kleine meisjes. Haakwerk.

Voorzijde.

Achterzijde.

Bijvoegsel van de Gracieuse.