Onderlijfje (dessus de corset).
Afb. No. 48. Knippatr. voorz. v. h. Supplem. No. II,
Fig. 3―5.
Dit onderlijfje verdient eenigszins de voorkeur boven andere daar de mou-
wen door een geborduurden batisten reep 2 d. breed, waar zich eene valen-
cienne 1 d. breed aansluit vervangen worden; een soortgelijk garnituur loopt
ook om den bovenrand van de taille heen. Het lijfje wordt vervaardigd uit fijne
shirting, waaruit men naar elk der figuren 3 en 4 twee gelijke gedeelten knipt,
bij het eerste de voorstukken, rekent men op een omslag 2 d. breed voor een
zoom, verder naar Fig. 5 een gedeelte aaneen. Als men in de voorstukken een
zoom van de opgegeven breedte heeft gelegd, dan voorziet men het rechter met
de voorgeteekende knoopsgaten en het linker met de daarbij behoorende linnen
knoopjes. Nu moet men in de beide voorstukken elk der borstplooien van kruis
aan kruis tot het dubbele punt, en van punt aan punt tot ster, met een dubbelen
naad uitvoeren, waarbij men de twee afgeknipte randen eerst op de rechter
zijde met kleine voorsteken en dan op de verkeerde zijde met een achtersteek-naad zoodanig uitvoert, dat de inslagen van de naden er tusschen liggen. Het aan elkaar zetten van de gedeelten van de taille geschiedt eveneens door een
dubbelen naad, volgens de gelijkluidende letters op de knippatronen. De onder-kant van de taille wordt gezoomd, men bevestigt daarentegen den bovenrand
wordt het kleedje op een stuk carton dat met een wollen stof is beplakt vastgemaakt, of met eene door-gestikte gewatteerde voering voorzien die men over een hoepel van ijzerdraad, van de vereischt wor-
dende grootte, spant.
Lampsluier.
Afb. No. 44 en 45. Groene taf, groene, zwarte koordzijde, zwarte tulle, zwarte kanten
entre-deux en kanten figuren.
De keus der kleuren en in het algemeen de wijze waarop deze sluier is samen-
gesteld getuigd niet slechts van smaak en elegance, maar is ook in een ander op-zicht aangenaam voor de oogen, daar de op groene taf geappliqueerd zwarte tulle de lichtstralen weldadig tempert. Het model bestaat uit zes gedeelten,
waarvan de afbeelding in oorspr. grootte er een voorstelt. Naar dit laatste tee-
kent men voor elk afzonderlijk gedeelte, de omtrekken van het patroon op groene
taf over, hecht er een lap zwarte tulle op en voert eerst de op de afb. aangege-
ven traliesteken met zwarte zijde uit. Hierna legt men de festonneersteken met
groene zijde, en volgt daarbij nauwkeurig de voorgeteekende omtrekken. Als het
gedeelte tot dusver is voltooid, dan knipt men volgens de afb. tusschen de af-zonderlijke figuren de taf, maar onder de traliesteken, beide stoffen, tullen en taf weg. Nu zet men er eveneens volgens de afb. het smalle kanten entre-deux op, dat op ons model uit kleine aan elkaar hangende sterretje bestaat, hoewel
men daarvoor ook wel een ander geschikt figuur kan nemen. Eindelijk heeft men nog op de tulle het application van kant aantebrengen waarvoor men kleine
overgebleven lapjes, maar met dichtgeweven figuren gebruiken kan. Het aan elkaar zetten der afzonderlijke gedeelten waarvan het aantal natuurlijk van den
omvang van den ballon afhangt, geschiedt zoodanigt dat de onderste helft als een
lambrequin afhangt, zooals men dit aan den sluier op onze afb. kan zien. Men naait elke
twee gedeelten aan den rechten buitenrand tot aan de spits van de punt die een half blad vormt aan de verkeerde zijde met kleine
overhandsche
steken aaneen. Een kwast van groene zijde 6 d. lang die tusschen,
elk der insnijdin-gen van de bogen wordt gehecht, voltooit den slui-er, dien men ook
door eene kleine wijziging den
vorm van den ballon, inzonder-
heid voor lampen met kogelronde
ballons, geven
kan. Daar-
toe voor-
ziet men de onderste punt van elk gedeelte aan de verkeerde zijde met eene kleine
loodrecht liggende gefestonneerde lus, steekt door deze lussen een klein groen
zijden elastiek bandje, dat aan het eene eind in het midden van de punt zoodanig
wordt vastgehecht, dat het nog 1 d. los hangt en met een lus voorzien kan wor-
den. Aan het andere eind van het elastieke bandje zet men een haakje, om alzoo
onder den ballon te kunnen worden vastgemaakt.
Twee tapisserie-patronen voor pantoffels,
taschjes enz.
Afb. No. 46 en 47.
Het als schubben of punten over elkander liggende patroon onder
afb. No. 46 voorgesteld wisselt zich in twee schakeeringen af, zoo-
dat b. v. eene punt in 4 schakeeringen paars, de volgende punt in
eene schakeering grijs (de donkerste zwart, de lichtste wit) ge-
werkt wordt. De afzonderlijke smyrnasche steken die binnen de
punten voorkomen worden van maïsgeel, de ruiten die de pun-
ten van elkander scheiden in eene blauwgroene schakeering (de
donkerste zwart) genomen, en laatstgenoemde met den gewonen
kruissteek gewerkt. De punten zijn met schuine vier in de hoogte
en breedte liggende draden van het gaas uitgevoerd, waarvan het
getal, als ook het in elkander voegen der kleuren, op de afb.
is aangetoond. De lichtste kleur van elke punt telt aan elke zijde
7, de tweede 6, de derde 5, de vierde (donkerste kleur) 4 ste-
ken. Aan de onderste rij punten stelt de afb. door het onbe-
werkt gelaten gaas de afstanden van de steken duidelijk voor, als ook hoever de steken van de tweede van die der
lichtste kleur naar binnen komen. De steken van de derde
kleur moeten op die der eerste, de steken van de vierde
kleur op die der tweede kleur komen. Van elke twee
aan twee rijen steken blijft aan de spits van de punten de
ruimte voor den over vier draden te werken smyrnaschen
steek (dubbelen kruissteek) over.
Afb. No. 47 stelt een in vierkante vakken afgedeeld pa-
troon voor. De zwarte lijnen van de ruiten zijn door opge-
legde zwarte draden gevormd, die er met afzonderlijke dwarssteken, aan de hoeken van de ruiten echter elk met
een kruissteek van maïsgele zijde of lichte reekleurige gedraaide zijde worden opgenaaid. Elke ruit heeft eene
met filozelle met den langen steek gewerkte ster op eene invulling van wol met den kruissteek. Om dit duidelijk
voor te stellen hebben wij op de afb. de kruissteekinvul-
ling van eene halve ruit weggelaten, zoodat men de dra-
den van het gaas voor de steken van de ster aldaar nauw-
keurig kan aftellen. De zus van het middelpunt afloopende steken
zijn schuin over vier draden in de hoogte en breedte gewerkt,
de middelste, bovenste steek ligt recht over vier draden, het middelpunt van de ster wordt met den smyrnaschen steek ge-vuld. Laatstgenoemde is volgens het oorspronkelijke zwart, ter-
wijl de sterren afwisselend helder paars en reekleurig genomen
zijn; de invulling is eene donkere of lichtere schakeering van de
kleur van de zich daarin bevindende ster.
en ook de armsgaten met een naad stiksteken, waarbij men tegelijkertijd het geborduurde strookje
medevat dat men eerst naar het patroon Fig. 20 op het Suppl. bij dit nummer, of naar een ander pa-
troon naar goedvinden op neteldoek of batist uitvoert, aan de eene lange zijde zoomt en er aldaar een
kantje aanzet. Met den niet gezoomden rand zet men het aan de taille, en wel zoo dat het den afgeknip-
ten rand voor den stiknaad bedekt. De zoom boven aan de strook dient tegelijkertijd als schuif, om de
taille een weinig dichter te kunnen toehalen, terwijl men er door 2 vetergaatjes elk 2 d. van den voor-
kant af uitgevoerd een bandje doorheen steekt. Een kleine knoop en eene gefestonneerde lus
aan den voorkant van het geborduurde strookje aangebracht, dienen daaren-
boven om de taille van boven te kunnen dichtmaken.
Blouse à revers.
Afb. No. 49. Knippatr. voorz. v. h. Suppl. No. III, Fig. 6―12.
Het eenvoudige, luchtige bestanddeel van het damestoilet dat men den naam
van blouse gaf, werd serdert lang in eene sierlijke, geheel nauwsluitende taille veranderd, die rijk gegarneerd zoowel een eenvoudig als een gekleed toilet kan
voltooien. Voor het laatste geval kan men de hiernevens afgebeelde blouse ver-
vaardigen, die echter ook wel in overeenstemming met den rok van de een of
andere wollen of zijden stof genomen en met veterband, kralengalon of iets
dergelijks gegarneerd kan worden, hoewel voor ons model eene klare witte stof
zooals neteldoek of nansoek gebruikt is; het kleine omhoogstaande kraagje is
versierd met een belegsel van gekleurd taffen lint 2 d. breed, waarmede ook de
voorkant van de blouse en de revers aan de voorstukken en aan de mouwen ge-
garneerd zijn. Het garnituur wordt voltooid door roode knoopen met taf over-trokken. Bij het vervaardigen van dit model moet men van de gekozen stof,
waarin eerst regelmatig loodrecht plooien 7½ d. breed worden gelegd, naar fig. 6 de
beide voorstuk-ken knippen en bij elk op een zoom ½ d. breed aan den voor-kant rekenen; naar fig. 7 den rug aaneen, en ook uit gladde stof den kraag naar fig. 8. Voor elk der mouwen worden naar fig.
9 twee gedeelten aaneen gesneden langs de dunne lijn die op het knippatroon het
midden aangeeft, waarbij men op
de afwijkende lijn voor het uitsnijden onder den arm moet lette, voor de
revers aan de
beide mou-
wen naar
elk der fig. 10 en 12 twee gelijke stukken. Na dat men in de beide voorstukken
borstplooien heeft genaaid van punt aan punt tot ster, en in den voorkant van een
gedeelte een zoom volgens de opgegeven breedte gelegd, naait men den rug en
voorstukken van J tot K en ook van L tot M aaneen, zet er het kraagje naar fig.
9 aaneen geknipt op, waarbij het met kruis en het dubbele punt op dezelfde
teekens van den rug en de voorstukken sluiten moet, en naait de taille van on-
deren tusschen de dubbele stof van een boord 4 d. breed dat de noodig wijdte
heeft. Als de mouwen van N tot O en van P tot Q met elkaar zijn verbon-
den dan zet men elk der drie gedeelten van den revers die bijeen behooren
volgens de gelijkluidende letters aan elkaar, waarbij fig. 10 van ster tot
punt over fig. 12 moet komen, en garneert den revers met lint en knoopen. De hoeken van de revers die langs de gepunte lijn worden omgeslagen, moeten natuurlijk aan beide zijden met lint belegd zijn.
Nu naait men den revers tegen den onderrand van de mouw, en zet
de laatste in het armsgat, Q moet op Q van het voorstuk sluiten.
Eindelijk wordt het overige gedeelte van de blouse ook met lint en knoopen versierd, op de revers van de voorstukken wordt, even als op die van de mouwen aan beide kanten lint gelegd, aan het
rechter voorstuk dat over het andere heenkomt zet men eenige
haken, en op het linker de daarbij behoorende gefestonneerde
lussen, om de blouse te kunnen dicht maken.
Blouse “bouillonee.”
Afb. No. 50. Knippatr. voorz. v. h. Supplem. No. IV,
Fig. 13―16.
Het rijke garnituur maakt deze blouse bijzonder geschikt
om bij een elegant toilet gedragen te worden, waarom zij dan
ook van neteldoek, nansoek of tulle vervaardigd en met ge-
kleurd taffen of fluweelen lint, met veterband, galon of iets
dergelijks gegarneerd wordt. Het borststuk dat er van vo-
ren is ingezet en ook de mouwen bestaan uit doffen. Bij het vervaardigen van de blouse knipt men eerst naar Fig. 13 de twee voorstukken, naar Fig. 14 den rug langs de dunne lijn op het knippatroon aaneen, eindelijk naar Fig. 16 de beide mouwen, waarbij men op de afwijkende lijnen voor het uitsnijden onder den arm moet letten. Voor het borst-stuk waarvoor Fig. 15 de helft geeft, neemt men een lap die de vereischte grootte heeft, rimpelt er vier doffen elk 7 d. breedte van de stof in, en hecht deze doffen op een glad stuk neteldoek naar fig. 15 aaneen geknipt, waarbij men de eersten vlak langs de rijgdraden, tusschen de beide gladde lijnen op Fig. 15, voor het lint voorgeteekend vastnaait. Aan ons model is de stof voor de bovenste dof 32 d. voor
de onderste 6 d. lang. Nu worden de rug- en de voorstukken volgens de overeenstemmende letters op de knippatronen aan elkaar gezet, en de blouse om het uitsnijdsel van den hals en langs den rand van voren met lint en kant 3―4 d. breed gegar-neerd, waarna men het borststuk, dat evenzoo met lint en aan den rand van boven met een omhoogstaand kantje is voorzien
van C tot F onder de kant tegen het linker voorstuk hecht.
Om de blouse te kunnen dicht maken zet men op het kan-
ten belegsel van het linker voorstuk eenige gefestonneerde lussen, terwijl het rechter met de noodige haken wordt voorzien. Als de mouw van G tot H en van J tot K aan
elkaar is genaaid, dan wordt zij volgens de afbeelding en zooals wij dit op het knippatroon hebben voorgeteekend
aan den rand van onderen met doffen, lint en kant ver-
sierd, voor elke dof heeft men 60 d. lengte noodig; verder aan den rand
van boven van kruis tot punt ingerimpeld, en daarna zóó dat K op de gelijkluidende letter van het voorstuk sluit in het armsgat gezet. Einde-
lijk naait men den onderrand van de blouse tusschen een boord 4 d.
breed, dat de vereischt wordende wijdte heeft.
Men heeft ons wel eens gevraagd waarom wij in de Gracieuse de modes uit den duitschen Bazar en niet uit het een of ander parijsch journaal overnemen. In Parijs komen er maandelijks honderd tijdschriften aan de mode gewijd uit en elk
journal geeft andere kleedjes en andere mantels, en houdt staande dat zijne
kleedjes en zijne mantels nar den laatsten smaak vervaardigd zijn. Uit om-
streeks veertig dezer parijsche tijdschriften doet de Gracieuse (vertaalde Ba-
zar) eene keus en zoekt er niet slechts het nieuwste, maar het elegantste en
tevens nieuwste uit. Wij geven deze opheldering om onze abonnees gerust te
stellen; alle mode-artikelen zijn van fransche en wel parijsche modisten afkom-stig; wij brengen hiermede hulde aan de waarheid, en meenen dat de waarde van ons tijdschrift wordt verhoogd, juist omdat wij niets oorspr. aanbieden.
8 DE GRACIEUSE. [ 13 December 1865. 4e Jaargang.]
No. 47. Tapisseriesteek voor pantoffels, enz.
No. 45. Gedeelte van den lampsluier. Oorspr. grootte.
No. 46. Tapisseriesteek voor pantoffels, enz.
No. 44. Lampsluier over de lamp
hangende. Verkleind.