d. breedte en 16 d. lengte nemen; hier-op brengt men 6 maal het patroon volgens het knip-patr. No. VIII,
Fig. 26 over, fes-tonneert daarna de omtrekken met groene zijde, na er vooraf zwarte tulle te hebben onderge-legd, doch men heeft hierbij op te merken, dat de bo-
venste naar buiten
omgebogen punten van de bladeren der kroon op de naar buiten gekeerde zij-de gefestonn. Moe-ten worden, waar-bij men, om de bla-deren den gewelf-den vorm te geven, een dun ijzerdraad mede inlegt. In het midden van de ara-besken knipt men, zooals de afb. aan-toont, de taf op
de rechte zijde uit, terwijl aan de pun-
ten van het blad de beide stoffen blijven staan; volgens de aanwijzing naait men op de arabes-
ken de zwarte kra-len en voert met groene zijde de ade-ren van de bladeren uit. Om verder het hoedje te vervaar-digen neemt men
eene strook carton met een bodem of een
rond deksel van eene doos 1½ d. hoog en 5
d. breed, voorts voor de bovenste beklee-
ding eene strook taf 5½ d. breed
en 18 d. lang.
Deze wordt aan de dwarszijden te zamen genaaid en aan de eene lange
zijde dicht in elkander ingehaald, zoodat het eene cirkelronde vlakte
vormt; dan haalt men ook de andere lange zijde van de taf een weinig
in en hecht de taf van boven aan de buitenzijde van de cartonnen strook, waarbij men deze taffen bekleeding een weinig watteert, zoodat het carton hiermede eene hoogte van 3½ of 4 d. heeft. Dan overtrekt men
dit met het geborduurde gedeelte, waarbij de rand van het deksel door
het onderste gedeelte van den taf-
fen strook met kanten entredeux versierd, bedekt en volgens de afb. met twee rijen, dunne zwarte chenille wordt gegarneerd, en aan den onderrand te ge-lijkertijd de binnenste bekleeding van de
kroon met de buitenste verbindt. De eerst-genoemde bestaat uit een strook taf, die de hoogte van het deksel moet hebben en daarin wordt vastgeplakt of genaaid. De kleine kroon wordt voltooid door een kruis van zwarte kralen, die op ijzerdraad
geregen en door een groote zwarte kraal in het midden van de kroon wordt bevestigd, waarbij men door den bodem van het carton steekt, zoodat hierdoor de watten
in het midden een weinig dieper worden.
Lampekleedje.
Afb. No. 43. Groene taf, laken in eene meer
donkere nuance, groene, zwarte koord-
zijde, zwarte kanten entre-deux,
zwarte figuren van kant.
De teekening van ons model is in
overeenstemming met die van den lampesluier onder No. 44 en 45
voorgesteld; daar het lampekleedje echter uit steviger grondstoffen
moet worden genomen, hebben wij ons hier en daar eene kleine
afwijking veroorloofd. De fond bestaat uit groene taf en is met
laken in eene meer donkere nuance met zwarte tulle en figu-
ren van kant geappliqueerd. Men knipt eerst een cirkel-
rond stuk laken dat de vereischt wordende grootte
heeft, en teekent er het patroon, na het tot een ge-
heel gevormd te hebben op over, hecht er daar-
na den taffen fond, eveneens aaneengeknipt
tegen, en legt dan om den buitenrand eene
rij festonneersteken met groene zijde,
waardoor de twee lagen der stof ver-
bonden worden. Tusschen de figuren
in wordt het laken weggeknipt,
men voert de tralieachtige ste-
ken uit, legt er het kanten
entre-deux dat vol-
gens de afb. uit kleine
sterretjes bestaat op
en bedekt de ge-
deelten van de
taf die zicht-
baar zijn
gewor-
den met
zwarte tul-
le, waarop dan
zooals op den
sluier, kanten figu-
ren geappliqueerd
worden. De figuren en
het entre-deux moeten
natuurlijk wat het patroon
betreft, met die van den sluier
overeenstemmen. Het application
en het entre-deux kan ook als men
denkt dat kant niet stevig genoeg is, door
hiertoe geschikte bloemen of figuren met
den point russe geborduurd, door een tralie
randje van zwarte zijde of iets dergelijks vervangen worden.
Rondom den buitenrand van het lampekleedje wordt een rij feston-neersteken gelegd, waardoor tegelijkertijd een geplooid en uitgetand strookje van groene taf 1½ d. breed vastgehecht wordt. Eindelijk
[13 December 1865. 4e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 7
6 vierkanten elk 5 duim
groot uit carton en even-zoo uit lichte taf van de een of andere kleur knip-pen; en bij deze laatsten op de inslagen voor de naden rekenen. Eerst worden de lapjes taf op de stukjes carton beves-tigd, terwijl men zoo, dat het carton bedekt is de taf naar den binnen-kant omslaat en de twee tegen elkaar overliggen-de inslagen met groote steken die het carton overspannen, vasthecht. Bij het aan elkaar naaien
van de afzonderlijke ge-deelten, dat op de rechter
zijde door kleine over-handsche steekjes ge-schiedt, behoeft men niet door het carton te steken, men moet echter zorgen dat de hoeken juist aan elkaar sluiten. Eer het laatste gedeelte er aan wordt genaaid wordt de dobbelsteen goed met watten gevuld.
Haaksteek voor voet- en reisklee-
den enz.
Afb. No. 33.
Daar deze haaksteek een zeer dicht en toch rekbaar weefsel vormt, is hij met castor of acht-draads zephirwol uitge-voerd, voor bovenge-noemde doeleinden, als
ook voor alle wollen ar-
tikelen die tegen de koude moeten beschutten bijzonder aantebevelen. Hij wordt met een of twee kleuren even als de tunische haaksteek in
patroontoeren gewerkt, slechts met
dat onderscheid dat men, nadat aan het begin twee patroontoeren, met
den genoemden steek voltooid zijn, bij het opnemen van de lussen van
den 1sten toer van den derden patroontoer, gedurig door de lussen
van den 1sten en 2den patroontoer steekt, dus telkens twee lussen te
zamen vat. (De afb. toont de voortzetting van het patroon aan; de twee
te zamen te nemen lussen zijn op een pijl gestoken en met een kruis
aangeduid). Bij het opnemen van de steken van den 1sten toer van den vierden patroontoer, worden de drie op elkander liggende lussen van de drie vorige patroontoeren te zamen genomen. (Op de afb. is
dit op dezelfde wijze als hierboven ver-
meld aangewezen). Men werkt nu weder
een patroontoer met den gewonen tuni-
schen steek, dan volgt er weder eene her-haling van den 3den en 4den patroontoer enz., waardoor, zooals de afb. aantoont,
de lussen eene spiraalvormige omwinding
vormen en de kettingsteken van den af te
werken toer maar weinig voorkomen. In-
dien men het effect van de afb. wenscht
weêr te geven, dan wordt elke derde pa-
troontoer met eene afstekende kleur van wol afgewerkt.
Verschillende patronen voor tapisserie-
werk.
Afb. No. 34―41.
Deze patronen bieden geschikte modellen aan, om
venster- en rugkussens, sluimerrollen, voetebank-
jes, kleine stoelen enz. te borduren; de afbeel-
dingen No. 35, 37, 39 an 40 kunnen boven-
dien ook voor pantoffels gebruikt worden.
Zij worden op gans met wol of zijde in
de kleuren bij de verklaring der teekens opgegeven, uitgevoerd. De
grofte van het gaas, hangt van de bestemming die men aan het bor-
duurwerk wenscht te geven af. De afb. No. 34, 35, 37, 38, 39, en
41 worden geheel met den gewonen kruissteek of om er het effect
van te verhoogen bijv. voor tapijtjes met den smyrnaschen
steek gewerkt, waarbij men voor elken smyrnaschen steek
op vier ruitjes rekent. De afb. 36 en 40 borduurt men
daarentegen gedeeltelijk met den smyrnaschen, ge-
deeltelijk met den eenvoudigen kruissteek, de laat-
ste wordt op het patroon door één ruitje, de eer-
ste door vier gelijke ruitjes tot een vierkant
gevormd, aangeduid; de smyrnasche ste-
ken zijn op de afb. No. 40 elk door vier
bij elkaar gevoegde teekens (ruitjes) x
en □, de smyrnasche op de afb. No.
36 door de teekens: □, ⊡, ⊞ en ■
voorgesteld. Op de laatste afb.
vormen zij een doorloopend
patroon op een geruiten
grond. De smyrnasche
steek overspant zoo
als men weet 4
draden in de
hoogte en 4
in de breed-te, waarop men eerst
een schuin
kruis en dan
daaroverheen een
recht kruis werkt.
Lampenhoedje.
Afb. No. 42. Knippatr. voorz. v.
h. Supp. No. VIII, Fig. 26. ― Taf en
koordzijde beide groen; tulle, kralen, zwarte
kanten entredeux, een weinig watten en carton.
Om het garnituur voor de lamp in dit nummer te
voltooien, geven wij onder afb. No. 42 een hoedje in
den vorm van eene kroon, dat in overeenstemming met het lampe-
kleedje en den sluier, van groene taf, zwarte tulle en kant application is samengesteld. Om het te vervaardigen moet men eerst voor de buitenste bladerengarneering van de kroon een taffen strook van 5½
No. 42. Lampenhoedje. Oorspr. grootte.
(Knippatr. voorz. v. h. Suppl. No. VIII. Fig. 26.)
Verklaring der teekens: Wol, zwart, grijs, wit,
paars. ― Zijde: geel, licht lilas.
No. 34. Tapisserie-patroon.
No. 31. Borduurpatroon v. tabakszakken.
Oorspronkelijke grootte.
No. 43. Lampekleedje. Vierde gedeelte. Oorspr. grootte.
Verklaring der teekens: Wol: zwart, eerste (don-
kerste), tweede, derde kleur bruin, paars. Zijde:
wit, licht lilas, geel.
No. 37. Tapisserie-patroon.
Verklaring der teekens: zwart, eerste (donkerste), tweede,
derde bruin (reekleur), witte zijde, eerste (donkerste), twee-
de, derde, vierde kleur karmozijn-rood (de laatste zijde).
No. 35. Tapisserie patroon.
Verklaring der teekens: Wol: zwart, donkergroen, paars,
ponceau, wit, bruin (reekleur) ― Zijde: licht groen,
licht geel. ― No. 38. Tapisserie patroon.
Verklaring der teekens: zwart, eerste (donkerste),
tweede, derde kleur bruin (de laatste zijde), eerste
(donkerste), tweede, derde blauwachtig groen, (de
laatste zijde). ― No. 36. Tapisserie patroon.
Verklaring der teekens: zwart, eerste (donkerste),
tweede, derde kleur goudbruin (de laatste zijde),
donkergroen, lichtgroen (de laatste zijde).
No. 39. Tapisserie patroon.
Verklaring der teekens: Wol:
zwart, eerste (donkerste),
tweede, derde, vierde
bruin (reekleur).― Zijde:
wit, blauw, geel.
No. 40. Tapisserie-patroon.
Verklaring der teekens: zwart,
blauwgroen (tusschentoon),
donker, tusschentoon, licht-
bruin (de laatste zijde).
No. 41. Tapisserie patroon.