De Gracieuse 13 December 1865 | Seite 7

d. breedte en 16 d. lengte nemen; hier-op brengt men 6 maal het patroon volgens het knip-patr. No. VIII,

Fig. 26 over, fes-tonneert daarna de omtrekken met groene zijde, na er vooraf zwarte tulle te hebben onderge-legd, doch men heeft hierbij op te merken, dat de bo-

venste naar buiten

omgebogen punten van de bladeren der kroon op de naar buiten gekeerde zij-de gefestonn. Moe-ten worden, waar-bij men, om de bla-deren den gewelf-den vorm te geven, een dun ijzerdraad mede inlegt. In het midden van de ara-besken knipt men, zooals de afb. aan-toont, de taf op

de rechte zijde uit, terwijl aan de pun-

ten van het blad de beide stoffen blijven staan; volgens de aanwijzing naait men op de arabes-

ken de zwarte kra-len en voert met groene zijde de ade-ren van de bladeren uit. Om verder het hoedje te vervaar-digen neemt men

eene strook carton met een bodem of een

rond deksel van eene doos 1½ d. hoog en 5

d. breed, voorts voor de bovenste beklee-

ding eene strook taf 5½ d. breed

en 18 d. lang.

Deze wordt aan de dwarszijden te zamen genaaid en aan de eene lange

zijde dicht in elkander ingehaald, zoodat het eene cirkelronde vlakte

vormt; dan haalt men ook de andere lange zijde van de taf een weinig

in en hecht de taf van boven aan de buitenzijde van de cartonnen strook, waarbij men deze taffen bekleeding een weinig watteert, zoodat het carton hiermede eene hoogte van 3½ of 4 d. heeft. Dan overtrekt men

dit met het geborduurde gedeelte, waarbij de rand van het deksel door

het onderste gedeelte van den taf-

fen strook met kanten entredeux versierd, bedekt en volgens de afb. met twee rijen, dunne zwarte chenille wordt gegarneerd, en aan den onderrand te ge-lijkertijd de binnenste bekleeding van de

kroon met de buitenste verbindt. De eerst-genoemde bestaat uit een strook taf, die de hoogte van het deksel moet hebben en daarin wordt vastgeplakt of genaaid. De kleine kroon wordt voltooid door een kruis van zwarte kralen, die op ijzerdraad

geregen en door een groote zwarte kraal in het midden van de kroon wordt bevestigd, waarbij men door den bodem van het carton steekt, zoodat hierdoor de watten

in het midden een weinig dieper worden.

Lampekleedje.

Afb. No. 43. Groene taf, laken in eene meer

donkere nuance, groene, zwarte koord-

zijde, zwarte kanten entre-deux,

zwarte figuren van kant.

De teekening van ons model is in

overeenstemming met die van den lampesluier onder No. 44 en 45

voorgesteld; daar het lampekleedje echter uit steviger grondstoffen

moet worden genomen, hebben wij ons hier en daar eene kleine

afwijking veroorloofd. De fond bestaat uit groene taf en is met

laken in eene meer donkere nuance met zwarte tulle en figu-

ren van kant geappliqueerd. Men knipt eerst een cirkel-

rond stuk laken dat de vereischt wordende grootte

heeft, en teekent er het patroon, na het tot een ge-

heel gevormd te hebben op over, hecht er daar-

na den taffen fond, eveneens aaneengeknipt

tegen, en legt dan om den buitenrand eene

rij festonneersteken met groene zijde,

waardoor de twee lagen der stof ver-

bonden worden. Tusschen de figuren

in wordt het laken weggeknipt,

men voert de tralieachtige ste-

ken uit, legt er het kanten

entre-deux dat vol-

gens de afb. uit kleine

sterretjes bestaat op

en bedekt de ge-

deelten van de

taf die zicht-

baar zijn

gewor-

den met

zwarte tul-

le, waarop dan

zooals op den

sluier, kanten figu-

ren geappliqueerd

worden. De figuren en

het entre-deux moeten

natuurlijk wat het patroon

betreft, met die van den sluier

overeenstemmen. Het application

en het entre-deux kan ook als men

denkt dat kant niet stevig genoeg is, door

hiertoe geschikte bloemen of figuren met

den point russe geborduurd, door een tralie

randje van zwarte zijde of iets dergelijks vervangen worden.

Rondom den buitenrand van het lampekleedje wordt een rij feston-neersteken gelegd, waardoor tegelijkertijd een geplooid en uitgetand strookje van groene taf 1½ d. breed vastgehecht wordt. Eindelijk

[13 December 1865. 4e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 7

6 vierkanten elk 5 duim

groot uit carton en even-zoo uit lichte taf van de een of andere kleur knip-pen; en bij deze laatsten op de inslagen voor de naden rekenen. Eerst worden de lapjes taf op de stukjes carton beves-tigd, terwijl men zoo, dat het carton bedekt is de taf naar den binnen-kant omslaat en de twee tegen elkaar overliggen-de inslagen met groote steken die het carton overspannen, vasthecht. Bij het aan elkaar naaien

van de afzonderlijke ge-deelten, dat op de rechter

zijde door kleine over-handsche steekjes ge-schiedt, behoeft men niet door het carton te steken, men moet echter zorgen dat de hoeken juist aan elkaar sluiten. Eer het laatste gedeelte er aan wordt genaaid wordt de dobbelsteen goed met watten gevuld.

Haaksteek voor voet- en reisklee-

den enz.

Afb. No. 33.

Daar deze haaksteek een zeer dicht en toch rekbaar weefsel vormt, is hij met castor of acht-draads zephirwol uitge-voerd, voor bovenge-noemde doeleinden, als

ook voor alle wollen ar-

tikelen die tegen de koude moeten beschutten bijzonder aantebevelen. Hij wordt met een of twee kleuren even als de tunische haaksteek in

patroontoeren gewerkt, slechts met

dat onderscheid dat men, nadat aan het begin twee patroontoeren, met

den genoemden steek voltooid zijn, bij het opnemen van de lussen van

den 1sten toer van den derden patroontoer, gedurig door de lussen

van den 1sten en 2den patroontoer steekt, dus telkens twee lussen te

zamen vat. (De afb. toont de voortzetting van het patroon aan; de twee

te zamen te nemen lussen zijn op een pijl gestoken en met een kruis

aangeduid). Bij het opnemen van de steken van den 1sten toer van den vierden patroontoer, worden de drie op elkander liggende lussen van de drie vorige patroontoeren te zamen genomen. (Op de afb. is

dit op dezelfde wijze als hierboven ver-

meld aangewezen). Men werkt nu weder

een patroontoer met den gewonen tuni-

schen steek, dan volgt er weder eene her-haling van den 3den en 4den patroontoer enz., waardoor, zooals de afb. aantoont,

de lussen eene spiraalvormige omwinding

vormen en de kettingsteken van den af te

werken toer maar weinig voorkomen. In-

dien men het effect van de afb. wenscht

weêr te geven, dan wordt elke derde pa-

troontoer met eene afstekende kleur van wol afgewerkt.

Verschillende patronen voor tapisserie-

werk.

Afb. No. 34―41.

Deze patronen bieden geschikte modellen aan, om

venster- en rugkussens, sluimerrollen, voetebank-

jes, kleine stoelen enz. te borduren; de afbeel-

dingen No. 35, 37, 39 an 40 kunnen boven-

dien ook voor pantoffels gebruikt worden.

Zij worden op gans met wol of zijde in

de kleuren bij de verklaring der teekens opgegeven, uitgevoerd. De

grofte van het gaas, hangt van de bestemming die men aan het bor-

duurwerk wenscht te geven af. De afb. No. 34, 35, 37, 38, 39, en

41 worden geheel met den gewonen kruissteek of om er het effect

van te verhoogen bijv. voor tapijtjes met den smyrnaschen

steek gewerkt, waarbij men voor elken smyrnaschen steek

op vier ruitjes rekent. De afb. 36 en 40 borduurt men

daarentegen gedeeltelijk met den smyrnaschen, ge-

deeltelijk met den eenvoudigen kruissteek, de laat-

ste wordt op het patroon door één ruitje, de eer-

ste door vier gelijke ruitjes tot een vierkant

gevormd, aangeduid; de smyrnasche ste-

ken zijn op de afb. No. 40 elk door vier

bij elkaar gevoegde teekens (ruitjes) x

en □, de smyrnasche op de afb. No.

36 door de teekens: , ⊡, ⊞ en ■

voorgesteld. Op de laatste afb.

vormen zij een doorloopend

patroon op een geruiten

grond. De smyrnasche

steek overspant zoo

als men weet 4

draden in de

hoogte en 4

in de breed-te, waarop men eerst

een schuin

kruis en dan

daaroverheen een

recht kruis werkt.

Lampenhoedje.

Afb. No. 42. Knippatr. voorz. v.

h. Supp. No. VIII, Fig. 26. ― Taf en

koordzijde beide groen; tulle, kralen, zwarte

kanten entredeux, een weinig watten en carton.

Om het garnituur voor de lamp in dit nummer te

voltooien, geven wij onder afb. No. 42 een hoedje in

den vorm van eene kroon, dat in overeenstemming met het lampe-

kleedje en den sluier, van groene taf, zwarte tulle en kant application is samengesteld. Om het te vervaardigen moet men eerst voor de buitenste bladerengarneering van de kroon een taffen strook van 5½

No. 42. Lampenhoedje. Oorspr. grootte.

(Knippatr. voorz. v. h. Suppl. No. VIII. Fig. 26.)

Verklaring der teekens: Wol, zwart, grijs, wit,

paars. ― Zijde: geel, licht lilas.

No. 34. Tapisserie-patroon.

No. 31. Borduurpatroon v. tabakszakken.

Oorspronkelijke grootte.

No. 43. Lampekleedje. Vierde gedeelte. Oorspr. grootte.

Verklaring der teekens: Wol: zwart, eerste (don-

kerste), tweede, derde kleur bruin, paars. Zijde:

wit, licht lilas, geel.

No. 37. Tapisserie-patroon.

Verklaring der teekens: zwart, eerste (donkerste), tweede,

derde bruin (reekleur), witte zijde, eerste (donkerste), twee-

de, derde, vierde kleur karmozijn-rood (de laatste zijde).

No. 35. Tapisserie patroon.

Verklaring der teekens: Wol: zwart, donkergroen, paars,

ponceau, wit, bruin (reekleur) ― Zijde: licht groen,

licht geel. No. 38. Tapisserie patroon.

Verklaring der teekens: zwart, eerste (donkerste),

tweede, derde kleur bruin (de laatste zijde), eerste

(donkerste), tweede, derde blauwachtig groen, (de

laatste zijde). No. 36. Tapisserie patroon.

Verklaring der teekens: zwart, eerste (donkerste),

tweede, derde kleur goudbruin (de laatste zijde),

donkergroen, lichtgroen (de laatste zijde).

No. 39. Tapisserie patroon.

Verklaring der teekens: Wol:

zwart, eerste (donkerste),

tweede, derde, vierde

bruin (reekleur).― Zijde:

wit, blauw, geel.

No. 40. Tapisserie-patroon.

Verklaring der teekens: zwart,

blauwgroen (tusschentoon),

donker, tusschentoon, licht-

bruin (de laatste zijde).

No. 41. Tapisserie patroon.