witte tulle, met windekelken en bladeren van wit fluweel, met kristallen dauwdrop-pen bestrooid, waarmede aan de rechter zijde eene lange witte tullen voile wordt
vastgehouden. Wit fluweelen strikbanden.
Snippermand met een garnituur van wollen bloemen.
Afb. No. 58―63. Voor de guirlande bloemen: zephirwol in verschillende nuancen
groen en geelachtig bruin, verschillende nuancen ponceau, roze, zeemleder-
en vleeschkleur tot in het wit overgaande, dun ijzerdraad.
De mand bestaat uit bruin gelakt gevlochten stroo, heeft een gebogen vorm, is
van onderen 29, van boven 35 d.
br. in doorsnede, 30 d. hoog en hangt
in een rieten geraamte dat op drie voe-
ten rust, terwijl de drie omgebogen ar-men van het geraamte, door een rieten ring bij elkaar worden gehouden. In de-zen ring is een krans van groene blade-ren en rozeknoppen vastgemaakt, zij
zijn uit wol vervaardigd, behooren tot
de vrouwelijke handwerken, en bie-
den aan den smaak en de phantasie
der dames eene groote speelruimte
aan. De bladeren zijn in verschil-
lende grootte en uit verschil-
lende nuancen groen, de roze-
knoppen uit verschillende
kleuren, zooals ponceau, ro-
ze, lichtrood en wit ver-vaardigd, de bladeren en de knoppen beide met dauwdroppen bezaaid. De afzonderlijke, zeer uitvoe-rig voorgetelde gedeelten zullen bij de bewerking
veel gemak verschaf-
fen. De afb. No.
63 geeft de wijze van bewerking van een der kleine
groene blaadjes te zien. Men vormt eerst den buitensten omtrek uit een eind ijzerdraad dat de
vereischte lengte heeft, draait de einden voor den steel, die tamelijk lang moet zijn in el-kaar, spant van dezen tot de bovenste ronding in het mid-den een vierdubbelen langen wollen draad en haalt deze wol
om het ijzerdraad en om den ge-
spannen draad, volgens de aanwijzing
op No. 63 heen; met het eind van
den wollen draad wordt de steel om-
woeld. Als men op deze wijze een zeker aantal in verschillende nuancen en ver-
schillend van grootte (aan ons model is het grootste blad buiten den steel 8
d. lang en 4 d. breed), heeft vervaardigd, dan naait men er in het midden
met gelijkmatige tusschenruimten kristallen kralen op en begint ver-volgens aan de rozeknoppen die eveneens verschillend van grootte kun-nen zijn. De bewerking van een afzonderlijk rozeblaadje wordt door de afb. No. 60 en 61 voorgesteld. Hiervoor knipt men uit carton een vier-kant 3―4 d. groot, spant er met dik garen een kruis overheen, en maakt nu door daaronder een langen wollen draad van de gekozen nuance
in de rondte te winden, eene dichte vlakke rondte afb. No. 60, zoo groot
als men het rozeblad wenscht te nemen; nu naait men de rijen van de om-
winding aan elkaar, door er naar de afb. No. 61 eerst van A tot B, dan van C
tot D den draad doorheen te steken, zoodat men door den draad een weinig aante-
halen eene soort van insnijding of holte in den omtrek verkrijgt. Hierna knipt men
den draad af, en maakt het blad van het papier los. Voor elk knopje heeft men naar-
mate het groot is, vier of vijf zulk bladeren van de nuancen van eene schakeering
noodig, waarop kristallen kralen genaaid zijn, en dan om een kelk van meeldraden zoo
als de afb. No. 62 dit voorstelt geschikt worden. De kelk bestaat uit een bosje glad ge-schoren gele wol, die aan een ijzerdraad is geregen. Het mosachtige groen, waarmede elk knopje tot op de helft is omgeven, verkrijgt men op de volgende wijze door brei-werk: men zet op tamelijk dikke stalen breinaalden met florawol, waarvan men 4 dra-
den te zamen neemt, nu eens in verschillende nuancen licht, dan weder verschillende
nuancen donker, 16 steken op en breit een tamelijk langen reep, even als bij een kouse-
band heen en terug. Nadat men er de naald uit heeft getrokken, houdt men het breiwerk
over kokend water, strijkt het met een heet strijkijzer droog, knipt het in de lengte door
zoodat men twee reepen van gelijke breedte heeft, en trekt dan elken toer tot aan den
kantsteek uit, waardoor men eene gekrulde franje verkrijgt. Deze wordt dan weder in de
dwarste in kleine stukjes geknipt, en elk stukje om den steel van het knopje vastgemaakt,
terwijl men den steelt tot van onderen met groene wol omwoelt. De afzonderlijke groene
bladeren worden nu met een eind ijzerdraad, dat men er op nieuw aan vastmaakt, en met
groene wol tot grootere en kleinere takjes, en elk de-
zer wederom met een tot drie knopjes samengewon-
den, waarna men van al de takjes eene guirlande maakt, en deze met drie of vierdubbele wol of dun met zwart omwoeld ijzerdraad, aan den rand van de mand bevestigt. Het spreekt van zelf dat dit lieve garnituur, ook ter versiering van eenvoudiger
mandjes of ook wel voor schelletrekkers of iets der-
gelijks kan gebruikt worden.
Pennewisscher.
Afb. No. 64. Knip-
patr., keerz. v. h.
Supplem. No. XV,
Fig. 50―52. Zwart
laken, hoogroode
taf, zwarte koordzijde, een weinig
watten en ijzerdraad.
lapjes van de stof gevormd, men bootst de oogen door twee kleine zwarte kralen, de voe-
lers door twee einden ijzerdraad met roode zijde omwoeld na; deze worden aan den voorkant
onder den kop vastgehecht. De vier pooten die zich aan elken kant van het lichaam be-
vinden, vervaardigt men uit een eindje koord in roode taf genaaid, en geeft de geledin-
gen door eenige groote steken, die stijf worden aangehaald en aldus eene insnijding ma-
ken, aan. Voor het legstuk van den kreeft, dat als eigenlijke pennewisscher dient, heeft men verschillende lagen laken van een ovalen vorm noodig, waarvan de onderste 13 d.
lang en in de breedte 8 d. in doorsnede, een reep laken 3 d. breed, die uitgetand en met plooien is opgezet draagt; het aanzetten van deze strook wordt wederom door een lapje
laken 7 d. lang en 4 d. breed, waarop de kreeft rust, bedekt.
Talma “russe.”
Afb. No. 65.
Deze talma is wat het garni-tuur betreft beter geschikt voor meer bejaarde dan wel voor jonge dames. Zij is vervaardigd van wit popeline en met witte taf gevoerd. Het smaakvolle
garnituur waarmede de tal-
ma in de rondte is ver-
sierd, bestaat vooreerst
uit rood fluweelen lint 2 d. breed, dat er dicht langs den buitenrand en
daarna nogmaals op een afstand van 2½ d. op is gelegd. De schitterende kleur
wordt door eene zwar-
te kant 4 d. breed
getemperd; zij be-
dekt het lint en
wordt er zooda-
nig opgenaaid, dat zij zooals de afb. dit
aantoont, aan de eene zijde 1½ d. over het
lint heenkomt. De ruimte tusschen de flu-
weelen linten wordt door eene ruche van zwart satijn lint, in het midden geplooid, dat er met kleine waspaarlen, die zich tusschen de plooien bevinden
op wordt vastgehecht, aan-gevuld. Van onderen is de talma met een kemelsharen franje 9 d. br. gegarneerd.
Voor deze talma kan men
het knippatroon van de
talma “Blanchette” gebruiken. Men kan haar van flanel, cachemir of eene der-
gelijke stof vervaardigen.
Voor onze nieuwe abonnées, willen wij nogmaals de verklaring van de haaksteken
herhalen, zoowel voor de guipure, als de gewone haaksteken.
Gewone haaksteken.
Kettingsteek (kett.). Omslaan, den draad door de lus halen. ― Halve vaste steek
(h. v. st). In den steek van den vorigen toer insteken, den draad omslaan en door den
steek en de op de naald zijnde lus halen. ―Vaste steek (v. st.). In den steek van den vorigen toer insteken, den draad omslaan en door den steek halen, nogmaals omslaan
en dan door de beide op de naald zijnde lussen halen. ― Half stokje. (h. st.). Dit vormt men
even als een gewonen vasten steek met tweemaal doorhalen, slechts met dat onderscheid, dat
men vooraf moet omslaan. ― Stokje (st.). Met driemaal doorhalen, waarvoor men eerst om-
slaat, dan de eerste lus door den steek van den vorigen toer haalt, omslaan, het tweede door den
zoo even gevormde steek en den omslagdraad (het eerste dichthalen); het derde doorhalen is
het dichthalen of afwerken van het stokje.
Guipure haaksteken.
Kettingsteek, halve vaste steek, vaste steek, half stokje, als boven. ― Klein stokje (k. st.). Als het
gewone stokje. ― Stokje (st.). Met viermaal doorhalen, daar men voor het eerste dichthalen nog 1 kett.
haakt. ― Groot stokje (gr. st.). Met vijfmaal doorhalen, er wordt namelijk voor en na het eer-
ste dichthalen 1 kett. gewerkt. Men kan ook 2 kett. na het dichthalen haken, wanneer het st. lang en
dun moet wezen. ― Dubbel stokje (dubb. st.). Met 2 maal omslaan en 6 of 7 maal doorhalen, namelijk
voor elke maal dichthalen 1 kett., of slechts voor de eerste en tweede maal. ― Drievoudige en vier-
voudige stokjes (driev. of vierv. st.). Deze worden op dezelfde wijze met vermeerderen van het getal
lussen (het doorhalen) gevormd.
De verklaring van sommige breisteken als ook het verkorten der woorden, zullen wij tot gemak van
onze lezeressen hierbij voegen. ― Recht (r.). Averecht (aver.). Omslaan (omsl.). Minderen (mind.), is 2
steken te zamen breien. Overhalen (overh.), is eerst 1 steek afhalen, dan 1 breien en daarna den afge-
haalden steek over den gebreiden halen. Afhalen (afh.) is den steek zonder te breien van de linker op
de rechter naald overnemen. Overhalen en minderen te gelijk (overh. en mind.), geschiedt door eerst
een steek af te halen, dan te minderen en vervolgens den afgeh. steek over de mind. halen.
Talma “Blanchette.”
Afb. No. 66. Knippatr., voorz. v. h. Suppl. No. I, Fig. 1 en 2.
Zoowel bij een eenvoudig als bij een meer gekleed costuum behoort iets om
er over heen te slaan en in dit genre kan men voor jonge dames niets uitden-
ken dat meer gracieus is als eene talma van de een of andere witte stof zooals
cachemir, popeline, clastine of neteldoek met een eenvoudig garneersel,
waarvoor men strookjes, geplooide ruches of smal fluweelen lint met kralen opgenaaid, nemen kan.
Met de afb. No. 66 geven wij zulk eene talma te
zien. Ons model bestaat uit wit cachemir en is in
de rondte met uitgeslagen geplooide strookjes van
dezelfde stof 3 d. br. gegarneerd. Het aanzetten
der strookjes wordt
met een schuinen reep 1½ d. br. bedekt, die er zoodanig wordt op-genaaid dat hij zich aan beide zijden als een koordje vertoont.
In het midden is hij met een smal flu-
weelen lintje versierd. Op dit laat-
ste is met kleine tusschenruimten
nagebootst koraal (kralen) ge-
naaid. Bovendien is de talma
van achteren zooals de afb.
dit te zien geeft met een garnituur van strikken van wit
moiré lint 3 d. breed voorzien, dat in einden elk
70 d. lang eindigt. Deze laatsten zijn van onde-
ren puntig bijgeknipt, en zooals de gravure dit
voorstelt, met fluweelen lint en kralen gegar-
neerd. Aan de hoeken van voren aan het uitsnijd-sel van den hals komt ditzelfde garnituur van strikken behalve de einden, nogmaals voor. Om
deze talma natemaken heeft men 140 d. stof noo-dig. Hieruit knipt men naar elk der fig. 1 en 2
twee gedeelten en zet die van A tot B en ook van achteren in het midden met een dubbelen naad
aan elkaar, waarbij men de stof eerst op de rechter zijde
op elkaar rijgt, het werk omkeert en dan naad nogmaals vast-
stikt en wel zoo dat de inslagen er tusschen liggen. In den zoom
langs den buitenrand wordt een koord gelegd, waarbij men de stof
2 d. breed naar de rechter zijde omslaat, het uitsnijdsel van den hals
wordt met een ingeregen koordje geboord. Het garnituur zal men wel,
volgens de afb. op de talma kunnen leggen; op den rand van onderen naait
men twee strookjes, waarvoor op het knippatr. fig. 2 de plaats gedeeltelijk
door twee lijnen is aangegeven, ook om het uitsnijdsel van den hals wordt
10 DE GRACIEUSE. [ 13 December 1865. 4e Jaargang.]
No. 55. Hoed. Fanchonvorm.
No. 62. Kelk van den rozeknop.
Oorspronkelijke grootte
bij afb. No. 59.
No. 64. Pennewisscher. Oorspronkelijke grootte.
Knippatr., keerz. v. h. Supplem. No. XV, Fig. 50―52.
Deze kreeft behoort op de schrijf-
tafel te huis. Hij is van hoog
roode taf vervaardigd en met
watten gevuld; voor den
vorm vindt men de knip-
patronen onder het bo-
vengenoemde nummer, hij wordt verder op een kleedje
van zwart laken bevestigt, dat tegelijk als penne-wisscher dient. De lijnen op het lijf zijn door zwart borduursel aangegeven. Uit de opgegeven stoffen moet men ― en daarbij op een inslag voor de naden rekenen ― naar elk der fig. 50 en 51 een gedeelte voor de bovenste helft van het lijf en van den staart knippen, en ook van elk voor den onderkant, een
smaller stuk, aan beide zijden ongeveer 1 d., verder
naar fig. 52 twee gelijke gedeelten voor elke schaar.
Nu voert men op al de gedeelten die tot het bovenlijf
behooren het patroon dat wij hebben voorgeteekend met
stik- of steelsteken met zwarte zijde uit, naait dit aan het
onderste gedeelte langs den buitenrand vast, en legt er dan
eene rij festonneersteken van zwarte zijde omheen. Elk gedeelte
van het lichaam blijft aan eene dwarszijde open, om er de watten
in te kunnen voegen. Aan de nauwe gedeelten, bijv. aan de punten
der scharen, steekt men er deze met een breinaald in. Als het lijf tot
dusverre voltooid is, dan wordt het zóó dat kruis en punt op elkander sluiten met stiksteken aan den staart verbonden en daarna volgens de afb. de scha-ren onder het lichaam vastgehecht. De bek wordt eveneens door eenige kleine
No. 56. Hoed in den vorm van een kaper.
No. 57. Hoed “à l’empire.”
No. 58. Snippermand
met eene garnituur
van wollen bloemen.
No. 59. Rozeknop. Oorspr. grootte.
Bij afb. No. 58.
No. 63. Bewerking van een blad. Oorspr. grootte.
Bij afb. No. 58.
No. 60. Bewerking van een blad
van den rozeknop. Eerste
gedeelte.
No. 61. Bewerking van een
blad van den rozeknop.
Tweede gedeelte.