De Gracieuse 13 December 1865 | страница 5

1ste toer. Den 1sten steek afhalen, de beide volgende te zamen breien ― deze mindering geschiedt, om de schuine zijde van den doek te vormen ― dan:

* omslaan, 1 steek afhalen, zoodanig, alsof men hem averechts af wilde breien, 1 steek recht. Van * af herhalen. ― 2de toer. Den 1sten st. afh., de overige st. recht afbreien, bij den steek echter, waarover de omgeslagen draad ligt, wordt, nadat de steek die achter den draad ligt is afgebreid, de draad op de rechter naald afgehaald. ― 3de toer. Afh., de beide volgende steken te zamen breien, * de steek, waarover de omgeslagen draad ligt, wordt met dezen te zamen ge-

breid, omsl., aver. afhalen. Van * af herhalen.

Men werkt nu afwisselend den 2den en 3den toer, totdat alle steken gebruikt

zijn en daarmede de fond voltooid is. Voor de ruche garneering knoopt men met de roode wol over een knooppen van 1½ d. in omvang eene strook 700 steken lang, 6 toeren breed, die men aan beide zijden met een gelijken toer van zwarte wol afsluit; dan werkt men nog eene strook van 100 steken lengte. Elk van de beide strooken wordt in het midden in de lengte in stolpplooien 1½ d. breed, op

gelijke afstanden geplooid en in het midden van de stolpplooien met de beide te-genover liggende zwarte randsteken, met eenige steken te zamen genaaid. De langste ruche zet men rondom den buitenrand van den doek, de kortste garneert slechts de voorste punt en wordt daar, op zoodanigen afstand van het buitenste garnituur opgezet, dat zij tot aan de buitenste randen van de stolpplooien reikt en alzoo met eenige steken daaraan kan worden verbonden. Voor den fond kan

ook het haakpatroon volgens afb. No. 21 gebezigd worden.

Haaksteek voor kapers, mouwen, enz.

Afbeelding No. 21.

Voor eenvoudige kapers, fanchons, als ook voor wollen onder-

mouwen voor huistoilet bestemd, maakt deze haaksteek door afwis-

seling van grover en fijner grondstof (zephir- en ijswol) een zeer

fraai effect. De soort van haaksteek verschilt slechts een weinig met

die van den gewonen tunischen steek. ― Men werkt

met de zephirwol 1 patroontoer met den gewonen

tunischen steek, hierin 1 patroontoer met ijswol

insgelijks met den tunischen steek. Bij

den nu volgenden wederom met ze-

phirwol te werken toer, steekt

men bij den 1sten toer niet in

den loodrecht liggende steek van den vorigen toer, maar tusschen de steken door,

en wel onder de dwarsloo-

pende kettingsteekrij van

den vorigen toer. Ove-

rigens werkt men de-

zen patroontoer als

bij den gewonen tuni-schen steek en wisselt nu regelmatig deze 2 laatste toeren af. Men kan beide soorten wol in eene kleur,

als ook in twee verschil-lende kleuren of in eene lichte en donkere kleur

van eene schakeering nemen.

Kaper “Clarisse.”

Afb. No. 22 en 23. Knippatr., voorz. v. h. Supplement No. V, Fig. 17―19.

Deze kaper zou door de wijze waarop zij is opgemaakt en ook door het fatsoen in den

vorm van een hoed, des noods over dag, ten minste onder wind en sneeuwbuien gedragen

kunnen worden. Ons model is van bruin cotton silk vervaardigd, geheel en al met eene

dunne gewatteerde zwartzijden voering voorzien, aan den puntig toeloopenden voorkant

met een ruche van wit cachemir en zwarte kant, verder zooals de afbeelding dit aan-

geeft met wit en zwart zijden koord en kwasten van dezelfde kleur versierd. Fluweel,

satijn, taf enz. zijn de doelmatigste stoffen om

deze kaper te vervaardigen; is de stof 45 d.

breed, dan heeft men 160 d. noodig. Uit

de gekozen stof wordt naar elk der

fig. 17―19 een gedeelte aaneen ge-

knipt, langs de dunne gladde

lijn op het knippatroon, die

het midden aangeeft; naar

dezelfde figuren knipt

men ook de voering

van dunne taf en

dunne watten;

deze worden

tusschen

mousse-

line ge-

regen en

dan met de

taf in schuine

ruiten doorge-

stikt. Nadat de

voering aldus gewat-

teerd is, rijgt men de

verschillende gedeelten der

bovenstof en van de voering

op elkaar, zet dan eerst met een

achtersteeknaad van L tot M de

pas aan de bavolet (fig. 17 en 19),

verder de pas aan den bodem van N tot

L, waarbij men drie lagen der stof samen-

vat, en de vierde ― de voering ― zóó dat

de inslagen der naden er tusschen liggen, vast-

zoomt. Van L tot O rimpelt men den bodem in en

verbindt hem zoodanig dat de gelijkluidende teekens

op elkaâr sluiten aan de bavolet; de inslagen van de naden worden aan de verkeerde

zijde met een schuinen reep bedekt. Om den buitenrand van de kaper wordt de voering

tegen de bovenstof genaaid, waarna men om den eersten een koord legt; met hetzelfde

koord wordt ook de naad van den ingezetten bodem bedekt, van boven in het midden van den naad (zie de afb. No. 23) wordt in de koorden een strik gelegd, waarvan elk der

afhangende einden 15 d. lang, met ene kwast 9 d. lang versierd wordt. De ruche (het

garnituur binnen in de kaper) wordt vervaardigd uit een reep wit cachemir 3½ d. breed,

die uitgetand, aan de eene lange zijde met een zwart kantje 1 d. breed voorzien en dicht geplooid is. Men zet de ruche zoo dat zij niet buiten den rand uitsteekt, van het midden

men even goed haakwerk kan ne-

men, versierd wordt. In het mid-

den van het uitsnijdsel van den hals laat men het lint

― zonder ander gar-

nituur ― met ein-

den elk 18 d.

lang afhangen. Tusschen de voering en de bovenstof van de epaulette

voegt men stijve tulle en zet haar dan zóó dat W en X op dezelfde teekens van de voorstukken en zijpanden vallen in het armsgat, waarna men

dit laatste met een schui-

nen reep witte taf boort

en hiermede gelijktij-dig den afgeknipten rand

van de epaulette bevestigt. De epaulette wordt aan den rand van onderen met zeven neerhan-

gende lussen lint bij afwisseling de eene 4 en de andere 8 d. lang, verder volgens de afbeel-

ding met twee linten belegsels in overeenstemming met het jaquetje versierd. Het wordt met

haken en oogen die men aan de hoeken van het uitsnijdsel van den hals zet, dichtgemaakt.

Coiffuren.

Afb. No. 25―29. Knippatr. van de bandeaux van lint bij afb. No. 29, keerz. v. h.

Supplem. No. XVI, Fig. 53.

[13 December 1865. 4e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 5

No. 24. Jaquette voor jonge meisjes.

Knippatr. keerz. v. h. Supplem. No. X, Fig. 35―38.

van de spits af tot aan punt met eene rij, van het punt aan beide zijden tot ster

met twee rijen in de kaper. De écharpes die aan de pas vast worden geknipt,

maakt men op de volgende wijze onder de kin vast: men hecht aan den verkeer-

den kant van de rechter écharpe, op de plaats op fig. 17 met ster aangeduid, een

lus van koord 13 d. lang en eveneens aan de verkeerde zijde van deze écharpe,

waar zich het dubbele punt bevindt een knoop. Bij het dichtmaken van de kaper,

haalt men de lus onder de linker, dan over de beide écharpes tot aan den knoop

waar zij overheen wordt getrokken.

Op de gracieuse kapsels die tegenwoordig in

de mode zijn, kan men even goed een trot-

schen diadeem, als een liefelijken krans

dragen; de smalle linten van goudve-

terband, fluweel of zijde, die zelfden

bij deze coiffuren ontbreken en

luchtig door de lokken of tres-

sen heen worden geslingerd

zijn wel geschikt om de

bekoorlijkheid te ver-

hoogen en aan het

kapsel zoowel iets

klassieks als

iets jeugdigs

te geven.

Op de

coiffuren

op de bij-

gaande af-

beelding

voorgesteld,

komen insge-

lijks zulke linten

of bandeaux voor.

Afb. No. 25. Coif-

fureCorinna.”

Deze bestaat uit grootere

en kleinere groene bladeren

van geperst fluweel, waarvan de

aderen door gekruld goudcantille

dat er op is geplakt, worden gevormd;

zij zijn op een fluweelen beugel met ijzer-

draad er tusschen, in het midden ongeveer

3 d. breed, vastgehecht, en alzoo tot een dia-

deem 36 d. lang en in het midden 8 d. hoog geschikt. Aan het laatste blad aan elke zijde

van het diadeem is een groen taffen lint 3 d. breed en 100 d. lang vastgemaakt, het is

eens om de einden van den fluweelen beugel gewonden, en hangt verder los af, na eerst

naar den aard en de schikking van de coiffure er twee of driemaal doorheen geslingerd te zijn. De afb. No. 26 geeft een der groote bladeren in oorspronkelijke grootte te zien. De afb. No. 27 en 28 stellen twee takken met bladeren die men in plaats van de hierboven

beschrevene gebruiken, en zeer goed zelve zou kunnen vervaardigen, voor. Het blad van de eerste afbeelding bestaat namelijk uit een eind gekleurd fluweelen lint 2 d. breed, 3 d.

lang en met eene diepe punt geknipt, op elke spits is een wasparel genaaid, waarna

No. 29. Coiffure “Ceres.”

Knippatr. van de bandeaux van lint, keerz. v. h. Suppl. No. XVI, Fig. 53.

No. 25. Coiffure “Corinna.”

No. 26. Blad voor de coiffure “Corinna.” Oorspr. grootte.

No. 27. Nagebootste bladeren van

fluweelen lint, voor coiffuren.

Oorspr. grootte.

No. 27. Garnituur van fluweelen

bladeren voor coiffuren.

Oorspr. grootte.

No. 30. Garnituur voor kleedjes enz.

Oorspronkelijke grootte.