1ste toer. Den 1sten steek afhalen, de beide volgende te zamen breien ― deze mindering geschiedt, om de schuine zijde van den doek te vormen ― dan:
* omslaan, 1 steek afhalen, zoodanig, alsof men hem averechts af wilde breien, 1 steek recht. Van * af herhalen. ― 2de toer. Den 1sten st. afh., de overige st. recht afbreien, bij den steek echter, waarover de omgeslagen draad ligt, wordt, nadat de steek die achter den draad ligt is afgebreid, de draad op de rechter naald afgehaald. ― 3de toer. Afh., de beide volgende steken te zamen breien, * de steek, waarover de omgeslagen draad ligt, wordt met dezen te zamen ge-
breid, omsl., aver. afhalen. Van * af herhalen.
Men werkt nu afwisselend den 2den en 3den toer, totdat alle steken gebruikt
zijn en daarmede de fond voltooid is. Voor de ruche garneering knoopt men met de roode wol over een knooppen van 1½ d. in omvang eene strook 700 steken lang, 6 toeren breed, die men aan beide zijden met een gelijken toer van zwarte wol afsluit; dan werkt men nog eene strook van 100 steken lengte. Elk van de beide strooken wordt in het midden in de lengte in stolpplooien 1½ d. breed, op
gelijke afstanden geplooid en in het midden van de stolpplooien met de beide te-genover liggende zwarte randsteken, met eenige steken te zamen genaaid. De langste ruche zet men rondom den buitenrand van den doek, de kortste garneert slechts de voorste punt en wordt daar, op zoodanigen afstand van het buitenste garnituur opgezet, dat zij tot aan de buitenste randen van de stolpplooien reikt en alzoo met eenige steken daaraan kan worden verbonden. Voor den fond kan
ook het haakpatroon volgens afb. No. 21 gebezigd worden.
Haaksteek voor kapers, mouwen, enz.
Afbeelding No. 21.
Voor eenvoudige kapers, fanchons, als ook voor wollen onder-
mouwen voor huistoilet bestemd, maakt deze haaksteek door afwis-
seling van grover en fijner grondstof (zephir- en ijswol) een zeer
fraai effect. De soort van haaksteek verschilt slechts een weinig met
die van den gewonen tunischen steek. ― Men werkt
met de zephirwol 1 patroontoer met den gewonen
tunischen steek, hierin 1 patroontoer met ijswol
insgelijks met den tunischen steek. Bij
den nu volgenden wederom met ze-
phirwol te werken toer, steekt
men bij den 1sten toer niet in
den loodrecht liggende steek van den vorigen toer, maar tusschen de steken door,
en wel onder de dwarsloo-
pende kettingsteekrij van
den vorigen toer. Ove-
rigens werkt men de-
zen patroontoer als
bij den gewonen tuni-schen steek en wisselt nu regelmatig deze 2 laatste toeren af. Men kan beide soorten wol in eene kleur,
als ook in twee verschil-lende kleuren of in eene lichte en donkere kleur
van eene schakeering nemen.
Kaper “Clarisse.”
Afb. No. 22 en 23. Knippatr., voorz. v. h. Supplement No. V, Fig. 17―19.
Deze kaper zou door de wijze waarop zij is opgemaakt en ook door het fatsoen in den
vorm van een hoed, des noods over dag, ten minste onder wind en sneeuwbuien gedragen
kunnen worden. Ons model is van bruin cotton silk vervaardigd, geheel en al met eene
dunne gewatteerde zwartzijden voering voorzien, aan den puntig toeloopenden voorkant
met een ruche van wit cachemir en zwarte kant, verder zooals de afbeelding dit aan-
geeft met wit en zwart zijden koord en kwasten van dezelfde kleur versierd. Fluweel,
satijn, taf enz. zijn de doelmatigste stoffen om
deze kaper te vervaardigen; is de stof 45 d.
breed, dan heeft men 160 d. noodig. Uit
de gekozen stof wordt naar elk der
fig. 17―19 een gedeelte aaneen ge-
knipt, langs de dunne gladde
lijn op het knippatroon, die
het midden aangeeft; naar
dezelfde figuren knipt
men ook de voering
van dunne taf en
dunne watten;
deze worden
tusschen
mousse-
line ge-
regen en
dan met de
taf in schuine
ruiten doorge-
stikt. Nadat de
voering aldus gewat-
teerd is, rijgt men de
verschillende gedeelten der
bovenstof en van de voering
op elkaar, zet dan eerst met een
achtersteeknaad van L tot M de
pas aan de bavolet (fig. 17 en 19),
verder de pas aan den bodem van N tot
L, waarbij men drie lagen der stof samen-
vat, en de vierde ― de voering ― zóó dat
de inslagen der naden er tusschen liggen, vast-
zoomt. Van L tot O rimpelt men den bodem in en
verbindt hem zoodanig dat de gelijkluidende teekens
op elkaâr sluiten aan de bavolet; de inslagen van de naden worden aan de verkeerde
zijde met een schuinen reep bedekt. Om den buitenrand van de kaper wordt de voering
tegen de bovenstof genaaid, waarna men om den eersten een koord legt; met hetzelfde
koord wordt ook de naad van den ingezetten bodem bedekt, van boven in het midden van den naad (zie de afb. No. 23) wordt in de koorden een strik gelegd, waarvan elk der
afhangende einden 15 d. lang, met ene kwast 9 d. lang versierd wordt. De ruche (het
garnituur binnen in de kaper) wordt vervaardigd uit een reep wit cachemir 3½ d. breed,
die uitgetand, aan de eene lange zijde met een zwart kantje 1 d. breed voorzien en dicht geplooid is. Men zet de ruche zoo dat zij niet buiten den rand uitsteekt, van het midden
men even goed haakwerk kan ne-
men, versierd wordt. In het mid-
den van het uitsnijdsel van den hals laat men het lint
― zonder ander gar-
nituur ― met ein-
den elk 18 d.
lang afhangen. Tusschen de voering en de bovenstof van de epaulette
voegt men stijve tulle en zet haar dan zóó dat W en X op dezelfde teekens van de voorstukken en zijpanden vallen in het armsgat, waarna men
dit laatste met een schui-
nen reep witte taf boort
en hiermede gelijktij-dig den afgeknipten rand
van de epaulette bevestigt. De epaulette wordt aan den rand van onderen met zeven neerhan-
gende lussen lint bij afwisseling de eene 4 en de andere 8 d. lang, verder volgens de afbeel-
ding met twee linten belegsels in overeenstemming met het jaquetje versierd. Het wordt met
haken en oogen die men aan de hoeken van het uitsnijdsel van den hals zet, dichtgemaakt.
Coiffuren.
Afb. No. 25―29. Knippatr. van de bandeaux van lint bij afb. No. 29, keerz. v. h.
Supplem. No. XVI, Fig. 53.
[13 December 1865. 4e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 5
No. 24. Jaquette voor jonge meisjes.
Knippatr. keerz. v. h. Supplem. No. X, Fig. 35―38.
van de spits af tot aan punt met eene rij, van het punt aan beide zijden tot ster
met twee rijen in de kaper. De écharpes die aan de pas vast worden geknipt,
maakt men op de volgende wijze onder de kin vast: men hecht aan den verkeer-
den kant van de rechter écharpe, op de plaats op fig. 17 met ster aangeduid, een
lus van koord 13 d. lang en eveneens aan de verkeerde zijde van deze écharpe,
waar zich het dubbele punt bevindt een knoop. Bij het dichtmaken van de kaper,
haalt men de lus onder de linker, dan over de beide écharpes tot aan den knoop
waar zij overheen wordt getrokken.
Op de gracieuse kapsels die tegenwoordig in
de mode zijn, kan men even goed een trot-
schen diadeem, als een liefelijken krans
dragen; de smalle linten van goudve-
terband, fluweel of zijde, die zelfden
bij deze coiffuren ontbreken en
luchtig door de lokken of tres-
sen heen worden geslingerd
zijn wel geschikt om de
bekoorlijkheid te ver-
hoogen en aan het
kapsel zoowel iets
klassieks als
iets jeugdigs
te geven.
Op de
coiffuren
op de bij-
gaande af-
beelding
voorgesteld,
komen insge-
lijks zulke linten
of bandeaux voor.
Afb. No. 25. Coif-
fure “Corinna.”
Deze bestaat uit grootere
en kleinere groene bladeren
van geperst fluweel, waarvan de
aderen door gekruld goudcantille
dat er op is geplakt, worden gevormd;
zij zijn op een fluweelen beugel met ijzer-
draad er tusschen, in het midden ongeveer
3 d. breed, vastgehecht, en alzoo tot een dia-
deem 36 d. lang en in het midden 8 d. hoog geschikt. Aan het laatste blad aan elke zijde
van het diadeem is een groen taffen lint 3 d. breed en 100 d. lang vastgemaakt, het is
eens om de einden van den fluweelen beugel gewonden, en hangt verder los af, na eerst
naar den aard en de schikking van de coiffure er twee of driemaal doorheen geslingerd te zijn. De afb. No. 26 geeft een der groote bladeren in oorspronkelijke grootte te zien. De afb. No. 27 en 28 stellen twee takken met bladeren die men in plaats van de hierboven
beschrevene gebruiken, en zeer goed zelve zou kunnen vervaardigen, voor. Het blad van de eerste afbeelding bestaat namelijk uit een eind gekleurd fluweelen lint 2 d. breed, 3 d.
lang en met eene diepe punt geknipt, op elke spits is een wasparel genaaid, waarna
No. 29. Coiffure “Ceres.”
Knippatr. van de bandeaux van lint, keerz. v. h. Suppl. No. XVI, Fig. 53.
No. 25. Coiffure “Corinna.”
No. 26. Blad voor de coiffure “Corinna.” Oorspr. grootte.
No. 27. Nagebootste bladeren van
fluweelen lint, voor coiffuren.
Oorspr. grootte.
No. 27. Garnituur van fluweelen
bladeren voor coiffuren.
Oorspr. grootte.
No. 30. Garnituur voor kleedjes enz.
Oorspronkelijke grootte.