De Gracieuse 13 December 1865 | 页面 4

-

Balkleedjes.

Afb. No. 15 en 16. Knipp. voorz. v. h. Supp. No. VII, Fig. 21–25.

Hoe een balkleedje is opgemaakt. ― Hoevele onzer lezeressen

zal het hart bij deze gedachte sneller kloppen! Wij zullen

daarom maar onmiddellijk tot de beschrijving overgaan.

Het eerste figuurtje op de gravure, draagt over een

effen wit taffen onderjapon, en een langeren netel-

doekschen rok daaroverheen, een korter kleedje

van wit tarlatan. In den tamelijk wijden ne-

teldoekschen rok is van onderen een zoom

2 d. breed gelegd, en 25 d. daarboven

met een garnituur van doffen van wit

en blauw tarlatan versierd, waarvan elk der witte 16 d. breed op eene ruimte van de stof half zoo breed, zoo-danig zijn genaaid, dat de ruimte van de eene naar boven, die van de andere

naar onderen valt en er tusschen bei-

den eene ruimte van 4 d. glad blijft.

De dof die naar beneden is gelegd

wordt met de eene lange zijde op

den zoom van den neteldoek-

schen rok vastgehecht. Op elke

tusschenruimte legt men ½ d.

van het aanzetten van de

witte dof af, twee eveneens

tegen elkaar aangekeerde doffen 8 d. breed (dus 16 d. van de stof), van blauw tarlatan de stof dubbel genomen, bedekt de tusschenruimte die nog glad is gebleven, met schuine reepen van blauw tarlatan

meer dan eens op elkander gevouwen, of met blauw taffen lint en hecht er dan volgens de afb. afzonder-

lijk witte madeliefjes op. In den rand van onderen aan het kleedje is een breede zoom gelegd, aan de

rechter zijde is het met eene touffe van dezelfde bloemen opgenomen en aldaar volgens de afb. met een

breede echarpe van blauw tarlatan (verscheidene lagen stof) versierd, deze loopt van het garnituur

van den neteldoekschen rok tot aan de ceintuur op; het eene gedeelte wordt onder, het andere op den

rok vastgemaakt. De taille geeft van voren een soort van borststuk dat er is ingezet te zien; dit bestaat

uit doffen waaromheen een smalle schuine reep of rolletje van blauw tarlatan of blauw taffen lint met

madeliefjes versierd, loopt. De ceintuur, de collier mignon en de bandeaux in het haar, bestaan

uit blauw taffen lint, de beide laatsten met de bovengenoemde bloemen versierd.

De figuur aan de rechterzijde op de modeplaat draagt een costuum dat wij vooral aan brunetten kunnen

aanbevelen. Dit bestaat vooreerst uit een onderkleed van witte taf (marcelline of lustrine), daaroverheen een

wit neteldoekschen rok, de rand van onderen gezoomd, en met een hoogrood fluweelen lint 3 d. breed gegar-neerd, waarop in het midden een goudkoortje is genaaid. Aan het fluweelen lint sluiten zich (zóó dat zij on-

geveer 16 d. hoog den rok bedekken), vier tullen strookjes 5 d. breed, aan de eene lange zijde uitgetand en aan

de andere geplooid aan, en wel twee naar boven, twee naar onderen gekeerd; de ruimte 3 d. breed die tus-

schen elke twee strookjes openblijft, wordt met een strook 7 d. breed, in het midden ge-plooid en aan beiden zijden uitgepunt bedekt, hierop is in het midden een rood fluweelen lint 1 d. breed dat door kleine verguld bronzen gespen is gestoken, gelegd. Op de strook-jes zijn strikken vastgehecht van hetzelfde fluweelen lint, die elk uit een lus 4 d. lang en

een uitgetand eind 7 d. lang bestaan en waaraan gele sterretjes en loovertjes hangen. Vlak langs de bovenste dezer strooken sluiten zich drie tullen doffen aan, voor elk waarvan men 15 d. breedte van de stof noodig heeft, en er op een ruimte van 7 d. opgezet zijn. De rok van het kleedje, die uit witte tulle bestaat, is viermaal in de rondte opgenomen, maar zoo dat hij van achteren, om een sleep te vormen, wat lager neêrhangt. Om de rozetten die door het opnemen van de stof gevormd worden, is volgens de afb. rood fluweelen lint 3 d. breed gewonden, en hier omheen wederom goudkoord, dat in kwasten eindigt. De taille is met een berthe versierd die in overeenstemming met den rok, uit tullen strooken en fluweelen lint is samengesteld, terwijl er van onde-

ren een breede blonde omheen loopt, het uitsnijdsel aan den hals is met een

fluweelen lintje geboord en met een smalle omhoogstaande blonde omgeven. Collier

mignon van rood fluweelen lint met grelots van waspaarlen, hetzelfde fluweelen lint

met gouden koord en kwasten in het haar. De knippatr. Die men onder No. VII

vindt, geven het fatsoen voor de laag uitgesneden taille van een balkleedje.

Naar elk dezer patronen knipt men twee gelijke gedeelten zoowel uit bo-

venstof als uit voering, wit cassa of shirting, de dof voor de korte mouw

wordt uit een rechten reep, de stof schuin genomen, gevormd, men

voorziet de gedeelten van den rug ― tegen het linker zet men een reep

die er onder uit komt – met haken en lussen (zonder daarbij in de bo-

venstof te steken) en zet de taille volgens de overeenstemmende letters

aan elkaar. Langs de naden worden korte dunne baleintjes gehecht.

De taille wordt aan den rand van onderen en van boven met een in-

geregen koordje geboord. Voor het opzetten der doffen op de taille van de eerste figuur op de afb. is de plaats op het knippatr. door

lijnen aangegeven.

Waaier met lint bekleed.

Afb. No. 17 en 18.

Deze waaier is zeer elegant, maar verdient daarenboven de voorkeur boven vele andere en niet het minst

omdat men hem, met eenige taffen linten, op een geraamte, dat een nieuw overtrek noodig heeft, zelve kan

vervaardigen, bovendien is hij zeer eigendommelijk en zeer aardig samengesteld. Hij bestaat

namelijk behalve de lange staaf, die aan elken kant met een kleinen

spiegel is voorzien, uit twintig staven uit ivoor gesneden die naar bo-

ven wat smaller toeloopen en door drie gekleurde taffen linten, elk 3

d. breed zoodanig verbonden zijn, dat de staven als men den waaier

van de linker- naar de rechterzijde uitslaat en daartoe de bo-

venop liggende staaf neemt, op elkaar sluiten, en aan beide

zijden met een overtrek waarin regelmatige plooien zijn

gelegd, bekleed schijnen te zien, zooals de afb. No. 17

dit voorstelt, terwijl zij, wanneer men hem van de

rechter naar de linkerzijde openslaat, en daarbij

wederom de bovenste staaf vat, schijnbaar uit

elkaar vallen en zich in afzonderlijke groe-

pen elk van twee staven verdeelen. Zie de

afb. No. 18. Om dit model natemaken

moet men van lichtblauw taffen lint

tien einden elk 8 d. lang en tien elk 7½ d. lang van de hierboven opgegeven breedte knippen en ook tien einden elk 8 d. lang uit wit taffen lint, mede van dezelfde breedte, men versiert de eerste,

dus de blauwe einden aan beide

zijden volgens de afb. No. 17 met

stalen pailletten en loovertjes,

waarvoor men ook gouden en

stalen kralen kan nemen en

versiert elk eind van het

witte lint in het midden

met een klein figuur met

den platten steek met gekleurde zijde geborduurd of ook met

geappliqueerde zwarte kant; in het eerste geval moet het bor-duurwerk zoo netjes zijn uitgevoerd dat het zich op de verkeerde

zijde even fraai voordoet als op de rechter; het application van kant wordt echter aan beide

zijden van het lint aangebracht. Met deze einden lint worden volgens de afbeelding de witte tusschen de blauwe, waarvan de kortste einden onder de witte komen verbonden; eerste de eerste en derde staaf, dan de tweede en vijfde, de vierde en de zevende, de zesde en negende, en zoo

vervolgens tot al de staven zijn vastgemaakt, het lint wordt er met dik afgemengde arabische

gom opgeplakt, en zooals men dit op de afbeelding kan zien aan de twee eerste staven boven

beide, aan elk der twee volgende staven steeds boven het rechter en onder het linker liggende

staafje. Zoodra men de hierna verzet liggende staven van de rechter- naar de linkerhand open-

vouwt, dus de staaf 1 naar onderen links, staaf 7 boven rechts schuift, dan vormen staaf 2

en 3 en ook staaf 4 en 5 die juist op elkaar sluiten, schijnbaar slechts een staaf, de gezamelijke

staven worden door het lint waardoor ze zijn omgeven bij elkaar gehouden, zoodat men zooals wij

hierboven zeiden een geplooid bekleedsel van lint meent te zien.

Daar deze waaier uitmunt door sierlijkheid, waarvan de afbeelding het voldoende bewijs levert,

zoo achten wij het overboodig om hierover meer uit te weiden, en durven hem gerust onzen lezeressen

aanbevelen, daar hij door een nette bewerking ieders roem en goedkeuring zal wegdragen.

Gebreide kaper.

Afbeelding No. 19 en 20. 2 lood ponceau flora wol ½ lood ponceu en

¼ lood zwarte zephir wol.

De vorm van deze kaper is even als dien van een driehoekigen doek, ech-

ter groot genoeg om niet alleen het hoofd en de ooren, maar ook den hals

te bedekken. Volgens het oorspronkelijke is de fond van florawol gebreid,

de garneering met zephirwol geknoopt. Afbeelding No. 20 stelt een gedeelte van het breiwerk in oorspronkelijke grootte voor, dat tevens voor de grofte

van de breidnaalden tot richtsnoer kan dienen.

Men zet voor eene van de rechte zijden van den doek 140 steken op (on-

geveer eene lengte van 70 duim) en breit heen en weder op de volgende

wijze:

terwijl men daarentegen voor de bladeren die zich aan beide zijden bevinden weder ééne laag carton neemt. Nu knipt men de arabesken die op den voet voorkomen uit wit, het

blad dat zich daaraan sluit uit grijs fluweel, versiert de eersten in het midden met

vischgraatsteken van zwarte zijde, verder in de rondte met festonneersteken

van blauwe zijde, die om den buitenrand over een goudkoordje dat men er

tusschen legt, worden uitgevoerd. De ribben op het grijze blad geeft men

door opgenaaid goudkoord aan, festonneert den uitgepunten onderrand

van het blad met witte zijde, appliqueert dan de arabesken en het blad

op het stuk carton, dat alvorens naar Fig. 54 geknipt en aan beide zij-

den met rood fluweel is beplakt, en maakt daar eindelijk volgens de af-

beelding het onderste eind van de kralenarabesken vast. Het carton dat

van boven in het midden voor de harp is bestemd, wordt met grijs flu-

weel bekleed, men legt er festonneersteken met witte zijde omheen,

voorzien het met een klein haakje en maakt het dan vast aan de kra-

len arabesken, die daarna op de bladeren worden gehecht, welke

aan beide zijden met rood fluweel beplakt, met festonneer- en steel-

steken van goudgele en witte zijde versierd zijn. Voor elk der sna-

ren van de harp waarin van boven en van onderen een knoop is ge-

legd, neemt men een eind goudkoord 6 d. lang en maakt die zooals dit op de afb. No. 13 is voorgesteld vast.

Nu moet men er den stander nog aan bevestigen; dit geschiedt door den langen stijl met de daartoe omgebo-

gen en niet met kralen omwoelde lussen aan de achterzijde in het midden van het bovenste

gedeelte, de korte stijl aan dat van den voet vasttenaaien.

4 DE GRACIEUSE. [13 December 1865. 4e Jaargang.]

No. 23. Kaper “Clarisse.” Achterzijde.

No. 18. Handleiding om den waaier met lint te bekleeden. Verkleind.

No. 17 Waaier met lint bekleed. Verkleind.

No. 19. Gebreide kaper.

No. 21. Haaksteek voor kapers, onder-

mouwen enz. Oorspr. grootte.

No. 20. Gedeelte v. d. fond voor de

gebreide kaper. Oorspr. grootte.

No. 22. Kaper “Clarisse.” Voorzijde.

Knippatr. voorzijde v. h. Suppl. No. V. Fig. 17―18.