Van godshuis naar academisch ziekenhuis | Page 35

33
Links: Opgravingen in 1981 in de oude kapel( schatkamer) van de Sint-Servaaskerk. | RHCL. GOBM
Rechts: Plattegrond en doorsnede van Romeins badgebouw opgegraven in de Stokstraat. Tekening van de stadsbouwmeester M. Hermans, 1843. | RHCL THA Collectie GAM
beperkt. De helende invloed die werd toegeschreven aan de goden uit de klassieke oudheid ging na de kerstening over op katholieke heiligen die voor genezing aangeroepen konden worden. Pelgrimage zou een belangrijk middel worden om genezing te zoeken. Iedere heilige had een bepaalde specialisatie: Adrianus kon worden aangeroepen in geval van pest, de heilige Blasius bij keelziekten, Sint-Odilia bij oogziekten. Voor het overgrote deel van de geneeskundige adviezen en behandelingen was de bevolking aangewezen op een medische markt van waarzeggers, kruidenvrouwtjes en kwakzalvers. Geschreven bronnen over de vroege geschiedenis van de geneeskunde in Maastricht ontbreken vrijwel geheel. De oudste verwijzing naar de lokale gezondheidszorg dateert uit
634. In dat jaar bedacht Grimo, diaken te Verdun, in zijn testament de leprozen van Maastricht met een legaat voor de vestiging van een xenodochium, een opvanghuis voor lepralijders.
Onderzoek van graven onder de Sint-Servaaskerk wijst uit dat de gemiddelde levensverwachting van de Maastrichtse bevolking rond 400 niet meer dan ongeveer veertig jaar bedroeg, een cijfer dat de gehele middeleeuwen ongewijzigd zou blijven. Op basis van de inschatting van lichaamslengten en röntgenonderzoek van botten kan worden geconcludeerd dat de levensomstandigheden in Maastricht op zijn minst vergelijkbaar waren met die in de omringende gebieden, mogelijk zelfs iets gunstiger.