Reader's Digest / Het Beste oktober 2013 | Page 58

I n 1983 was ik met een klein theatergezelschap op reis. We deden variété-achtige voorstellingen in buurthuizen en bars. We verdienden gemiddeld zo’n 25 dollar (20 euro) per persoon plus net genoeg geld voor de benzine om in ons gammele gele busje naar het volgende stadje te rijden. Toen we begin februari door Bozeman (Montana) reden, liepen we vertraging op door zware sneeuwval. Omdat de radio waarschuwde voor ijzel en slecht zicht, besloten we te logeren bij een bevriende theatergroep die de musical Fiddler on the Roof speelde op de Montana State University. Een show zien, een paar kroegen afstruinen, slapen op de bank: braver wordt het niet als je een rondreizende artiest van een jaar of twintig bent. Na de voorstelling dromden enthousiaste toeschouwers en toneelknechten samen achter het gordijn. Ik trok mijn jas stevig dicht en neuriede: ‘Als ik toch eens rijk was’, een lied uit de musical. Een zware metalen deur zwaaide open, waardoor een vlaag ijskoude lucht naar binnen kwam. De deur sloeg met een klap dicht achter twee mannen die de sneeuw van hun laarzen stampten. De ene was groot als een beer en droeg een Ierse wollen trui en gamaschen, de ander had een overjas aan en was zo lang en mager als een schoorsteenveger. ‘... ik zeg alleen maar dat het leuk zou zijn om wat echt theater te zien,’ zei een van hen. ‘Tsjechov, Ibsen, alles beter dan zo’n komische musical.’ ‘Wat zeg je!’ Ik was woest, mijn nek56 haren stonden recht overeind. ‘Iemand die denkt dat komedie geen kunst is, heeft zeker niet veel Shakespeare gelezen. Of wel soms?’ Ik liet de beide heren ?jntjes weten dat ik van komedie mijn beroep had gemaakt en las ze pedant de les over het belang van Fiddler on the Roof in artistiek en historisch opzicht. Na mijn tirade bleef een wolkje gecondenseerde adem in de lucht hangen. Ik voelde me een aanstelster, toen de magere man in zijn overjas me een laatdunkende blik toewierp en wegliep. De beer bleef staan en keek me met een ontspannen glimlach in zijn bruine ogen aan. Toen sloeg hij zijn armen om me heen en ?uisterde in mijn oor: ‘Ik houd van je.’ Ik haalde diep en geschrokken adem – rook winter, Ierse wol, kof?e en versgebakken brood – en duwde hem toen weg met een nerveuze grap. Zoiets als: ‘Kijk uit. Ik heb pepperspray in m’n tas.’ ‘Oké,’ zei hij met een baritonlach, ‘ga dan mee wandelen.’ Ik schudde mijn hoofd. Verontrusting en scepsis streden om voorrang met gevoelens van warmte en herkenning. ‘Rondwandelen bij nacht en ontij met een volslagen vreemdeling is niet gezellig,’ zei ik. Ik wierp een blik op de afgedragen gamaschen. ‘Van plan om te gaan langlaufen?’ ‘Fietsen,’ zei hij, en voegde er zonder verdere toelichting aan toe: ‘Ik zit even zonder auto.’ Hij hield de zware deur verwachtingsvol voor me open. Ik verplaatste de pepperspray van mijn tas naar mijn readersdigest.nl 10/13