Psychologie
M
ijn dochter heeft een eigen
hoekje in de woonkamer
waar volwassenen niet
mogen komen. Zij en ik noemen
dat het rattenhol. Als iets kwijt is, een pollepel of
mijn wimperkruller, is de kans groot dat je het in
het rattenhol terugvindt. Daar zit mijn dochter dan,
ingeklemd tussen de bank en de boekenkast, en
verzamelt haar illegaal verkregen zaken uit het zicht
van haar door orde geobsedeerde moeder.
Haar collectie breidt zich als een
olievlek naar haar slaapkamer uit, waar
ze kleine stapeltjes kiezels, schelpen,
takjes en eikels redt. Verweesde objecten vinden een nieuw thuis in Angela’s
kamer en krijgen in haar vier jaar oude
verbeelding een fantasievolle bestemming in plaats van een alledaags doel.
Een handjevol potloden wordt een collectie zwaarden. Een deegkom wordt
een bubbelbad voor superheldenfiguurtjes. De kapotte stofzuigerslang
wordt een zwarte slang.
‘Waarom wil je dit bewaren?’ vraag ik.
‘Het is een ratelslang,’ zegt Angela.
‘Een mooie ratelslang.’
Met een zucht geef ik de kapotte
slang terug en vraag me af hoe het kan
dat mijn dochter zoveel op mij lijkt en
tegelijkertijd zo anders is dan ik.
Toen ik tien jaar oud was, had mijn
vader iemand ingehuurd om een veranda aan ons huis te bouwen. Zoals
zoveel gezinnen hadden we meer
ruimte nodig voor onze spullen. Maar
onze spullen waren niet zoals die van
andere gezinnen. Aan het eind van de
week liet de aannemer een veranda
achter die zo groot en leeg als een
voetbalveld voelde.
Mijn broer en ik renden door onze
nieuwe veranda van de ene naar de
andere kant. We snoven de geur van
het verse hout op en vonden de lege
ruimte prachtig. Wat zouden we met
deze nieuwe plek doen? We konden
er spelen of onze slaapzakken neerleggen voor een nachtje kamperen.
We konden er de radslag oefenen of
met een bal gooien.
Maar binnen een paar maanden kon
je je kont er niet meer keren. Er kwam
91