I
Ik kan niet huilen.
Nog niet, niet hier. Ik moet me concentreren. Ik moet sterk zijn.
Terwijl Kesstan (‘Kess’) Blandin in de wachtkamer buiten de
intensive care van het brandwondencentrum zat, op de zevende
verdieping van het Brigham and Women’s Hospital in Boston,
leunde ze wat naar voren in haar stoel om naar dr. James Watkins
te luisteren, de chirurg van haar zus. Het was belangrijk dat ze er
geen woord van zou missen.
De ervaren chirurg antwoordde
zacht: ‘De kans dat ze dit overleeft, is
niet erg groot.’
EEN DAG EERDER NOG, op 10 juni
2007, waren Carmen Blandin Tarleton, een verpleegkundige van 39 jaar
en moeder van de twee meisjes Liza
(14) en Hannah (12), diep in slaap in
hun huis in Thetford in Vermont.
Rond half drie ’s nachts werden ze
wakker door een luide klap, die het
stevige witte houten huis op zijn
grondvesten deed schudden. Een
aardbeving! dacht ze toen ze opstond
om te kijken wat er aan de hand was.
Slaperig deed ze de slaapkamerdeur
open en zag in haar woonkamer een
man in het zwart. Doodsbang zei ze
tegen hem: ‘Neem mee wat je wilt!’
Maar de fguur had het op háár gemunt. In een fits zag ze dat het haar
tweede echtgenoot Herb Rodgers
was, van wie ze vervreemd was. Hij
sloeg haar hard in het gezicht en
gooide haar op de grond. ‘Herb!’
Reader ’s Digest 03 /14
F o t o : M .t.v. C a r M e n ta r l e t o n
De traumachirurg met de zachte
stem deed zijn best om zijn woorden
zorgvuldig te kiezen, maar de werkelijkheid was afschuwelijk. ‘Carmen
werd mishandeld en meer dan 80 procent van haar lichaam is verbrand met
industriële loog,’ vertelde hij Kess,
haar moeder en haar broer die bij haar
waren in de wachtkamer van de IC.
‘Zulke ernstige brandwonden zie ik
hier zelden.’
Terwijl de verpleegkundigen van
het brandwondencentrum van het
ziekenhuis voorbijsnelden, praatte
Watkins door. Carmen was blind aan
beide ogen. De loog had haar oogleden, haar linkeroor en een deel van
haar neus weggevreten. Net als de
rest van haar gezicht overigens.
De familieleden waren sprakeloos.
De woorden van dr. Watkins drongen
amper tot hen door. Het meeste was
te gruwelijk om aan te horen. Opeens
stond Kess half op van haar stoel en
vroeg: ‘Moet ik afscheid nemen van
mijn zus? Wilt u dat zeggen?’
122