History, Wonder Tales, Fairy Tales, Myths and Legends Geschiedenis van de Familie Adriaens | Page 388

Crisisjaren In 1845 begint er een economische crisis die het hele gewest niet zal sparen en zal duren tot ongeveer 1850. Alle miserie komt samen: crisis in de textielnijverheid en de verschrikkelijke landbouwcrisis. Vooreerst is er de erge crisis in de vlasteelt, zodat de plaatselijke linnenindustrie harde tijden kent. Deze typische huisnijverheid gaat bijna helemaal teloor. Dit heeft heel wat gevolgen voor veel gezinnen van vlassers, spinsters en wevers. Daarbij komt ook nog dat de graanoogst slecht is uitgevallen wat dan nefast was voor de broodprijs. Alsof dit nog niet volstond werden de boeren geconfronteerd met een voor hen onbekende ziekte bij de aardappelen. Het was de meedogenloze aardappelenplaag die alle velden vernielde. In 1845 mislukte 7/8 van de totale aardappeloogst. De slechte oogsten, de schaarste, de hoge prijzen terwijl de lonen daalden maakte dat de bevolking de zwaarste armoede doormaakte en was de oorzaak dat het merendeel van de mensen ondervoed werden. Daardoor hadden ze weinig weerstand wanneer een cholera en tyfus epidemie onze streek overvalt met als gevolg dat velen die grote ellende niet overleven. Alles staat in het teken van de epidemie, praktisch geen huwelijken en meer sterfgevallen dan geboorten. Een derde van de bevolking in Vlaanderen moest gesteund worden. Vanaf de 18de eeuw begon de toestand geleidelijk te keren in gunstige zin en daalde de hardheid ten gunste van de kinderen. Door de slechte voeding van de vrouwen waren er veel miskramen en stierven veel kinderen jong. In de 18de eeuw stierven een derde van de kinderen in het eerste levensjaar en slechts de helft werd 21.Wie in leven bleef verliet heel vroeg het huis om te gaan werken.vanaf 7 jaar werden ze schapenhoeder; knechtje of dienstmeisje om aldus in hun eigen voedsel te voorzien. En de huwbare kinderen? In de dorpen gebeurde alles onder het toezicht van de gemeenschap. De mensen kwamen op winteravonden bijeen in een stal, dichtbij de dieren was het immers warm. De vrouwen brachten hun spinrokken mee of breiden de wol. Zo waren huwbare dochters verzameld onder het alziend oog van moeder en buren. De jonge mannen trokken van stal tot stal. Soms werd er gedanst op de toon van een fluit of vedel. Door de roddel, kritiek en raadgevingen deed de jeugd wat de gemeenschap van hen verlangde. Dorpskermissen, St Jansvuur, karnaval en een hele rij vaste feesten zorgden voor paarvorming. De ouders van de jonge boer gingen op inspectietocht naar het huis van de toekomstige bruid. Alles werd nagegaan: de oogst, het land, de linnenkast. Aan de balk hangt het vol met spek en ham om een goed indruk te maken. Een niet te verwaarlozen maatstaf van de welstand was de grootte van de mesthoop. Slechts nadat de overeenkomst bereikt werd over de bruidschat kon aan een huwelijk gedacht worden. Vonden de ouders de stand of het geld niet gepast, dan werd er niet getrouwd. Voor de vele mensen zonder bezit was een sterke vrouw, die haar deel kon doen in het werk, van groot belang. Bij de burgerij kwamen de meisjes niet buiten want dan waren ze “ verderfelijke “ waar. Had een jongen zijn keuze gemaakt, dan ging hij na de zondagsmis kaarten in het huis van het meisje. De volgende zondag stelde hij een wandelingetje voor, waaraan allen deelnamen. Samen voorop lopen mocht wel maar zonder huwelijksaanzoek bleef het niet lang duren. Was er een rijkere kandidaat, dan kreeg hij de voorkeur. Binnen de drie weken kon de zaak beslist zijn de liefde kwam wel achteraf. Wie zich niet naar de normen van de gemeenschap boog, buiten zijn stand trouwde of op een ander dorp kreeg last en ketelmuziek. Wat de woningen betreft was er een groot verschil naargelang het inkomen. Hoe groter dit was, hoe hoger de sociale klasse en hoe groter huis. Dan was er plaats voor alle verwanten. Bij de rijken kwam daarbij nog het inwonend personeel. Alle bewoners: ouders, kinderen, inwonende knechten en meiden sliepen op stromatrassen soms voor de open haard of op de voutekamer. Zelden konden bedden afgezonderd worden door een gordijn. Velen lagen samen, ook soms met de zieken erbij. Een stukje grond was van levensbelang, maar was meestal amper voldoende voor 1 gezin. Met ongeduld kon de zoon zitten wachten op de overdracht van dat lapje grond. In het midden van de 19de eeuw nam de echtgenote ( en ook oudere vrouwen ) niet deel aan de kerkelijke begrafenis van haar man. Door enkele (vrouwelijke ) familieleden en/of geburen werd zij in het sterfhuis getroost en werd daar 388