History, Wonder Tales, Fairy Tales, Myths and Legends Geschiedenis van de Familie Adriaens | Page 387

Door de Duitse bezetting gedurende de Eerste Wereldoorlog kregen de spoorwegen een nieuwe impuls: de Duitsers hadden de sporen nodig om materiaal en troepen naar de IJzerstreek te brengen. Veel lijnen kregen een tweede spoor en in de Westhoek werden nieuwe lijnen aangelegd.In 1926 werd de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS) opgericht.en in 1927 volledig geprivatiseerd. In 1958 waren alle spoorlijnen (zo'n 4800 km) in handen van de staat. Om Brussel Noord en Brussel Zuid met elkaar te verbinden wilde men een verbinding door een tunnel. Met stoomtreinen was dit onmogelijk en meteen luidde dit de overgang naar de electrificatie in. De eerste electrische lijn tussen Brussel Noord en Antwerpen Centraal werd in 1935 in gebruik genomen. Dit was een groot succes en men breidde verder uit en in 1962 had men al 1.000 km De opkomst van de dieselmotoren in de jaren vijftig heeft de electrificatie wat tegengehouden wegens de kostprijs van de bovenleidingen. In Eerste spoorlijnen in West -Vlaanderen In 1847 werd de spoorlijn Kortrijk – Brugge voltooid en hoorden de mensen regelmatig stoomgefluit. Velen waren echter niet gelukkig met deze uitvinding, hadden er geen vertrouwen in, dachten dat de duivel ermee gemoeid was en dat de koeien geen melk meer zouden geven. De rookpluimen en de vele felle fluittonen zouden ongezond zijn voor mens en dier. 1942 werd het dubbelspoor tussen Diksmuide en Duinkerke weer afgebroken. De Duitsers gebruikten de spoorstaven voor de productie van oorlogstuig. Na 1945, tot op de dag van vandaag, bleef er enkelspoor.tot aan de grens. De cholera In de 19de eeuw kenden we in onze streek vier perioden van cholera aanvallen namelijk in 1832-1833, 1848-1849, 1866 en 1892-1893 maar vooral de epidemie van de jaren dertig heeft in onze streek een grote ravage aangericht. De ziekte kwam ons land binnen vanuit Frankrijk waar ze in Parijs alleen al een kleine 20.000 slachtoffers had gemaakt. In Roeselare vielen de eerste zieken hier begin 1832, tegen het einde van het jaar was het aantal doden opgelopen tot 450 op een bevolking toen van 10.000 inwoners. In deze periode, bij de mensen bijgebleven als de zwarte jaren, mochten in de strijd tegen de infectie de doden niet meer in de kerk komen maar moesten rechtstreeks naar een inderhaast opgetrokken doodshuisje op het kerkhof. Alle besmette huizen werden dan gereinigd en behandeld met kalk. Hoe leefde men? Over het algemeen leefde de werkman toen alleen maar van aardappelen, roggebrood en chicoreikoffie, daarbij kwam ’s zondags wel eens een of ander stuk vlees. De krotwoning die hij bewoonde met zijn vaak talrijk gezin druiste in tegen de meest elementaire eisen van hygiëne. Het ras dat in zijn levensbronnen aangetast was, ontaardde en de lichaamsgrootte verminderde. Het aantal miliciens, geweigerd wegens zwakheid, ontoereikende gestalte of ziekelijk gestel getuigt van het lichamelijk verval onder de bevolking. Het sterftecijfer onder die zwakke, ziekelijke mensen was dan ook verschrikkelijk. De strijd voor het dagelijks bestaan was een realiteit. De liefde voor bezit werd groter dan de liefde voor de mensen. De boer voelde zich meer getroffen door het verlies van een stuk vee dan door het overlijden van zijn vrouw! Mannen en vrouwentaken werden streng van elkaar gescheiden. Het lichamelijk zwaar werk was voor de man, die soms al aan 40 jaar uitgeput was. De vrouw zorgde voor het huishouden. Ze stond eest op, zorgde voor het ontbijt en als de mannen naar de akker waren werden de kinderen gewekt, gewassen, gekleed, te eten gegeven en eventueel naar school gestuurd. Ze kookte voor de mannen die ’s middags van het veld naar huis kwamen. Er was werk in de tuin, de stal,