batist van dezelfde grootte als de geknoopte grond er op hecht; men moet echter zorg dragen, dat
daar, waar het borduurwerk wordt uitgevoerd, de draad van de stof aan alle vier de zijden van de
kleine vierkante ruiten, vooral recht en over het geheel niet te strak ligt. Men verbindt het met het
knoopwerk, door de omtrekken van de ruit smal te festonneeren; knipt binnen deze laatste den ge-
knoopten grond, langs de buitenranden het batist uit en voorziet daarna elke ruit met
het hiervoor afgeteekende borduurwerk. De buitenrand is volgens ons model met een rij
bogen van frivolitéwerk versierd; deze kan men echter ook met een rij festonneersteken
of met haakwerk omgeven.
Gehaakte guipure met geborduurde
ruiten.
Afbeelding No. 68.
De bestemming van dit garnituur is dezelfde als die
van het hierboven beschreven geknoopte guipure; de
keus tuschen het een of het ander laten wij aan het
welgevallen der dames over. Het haakwerk wordt in
afzonderlijke gedeelten vervaardigd, namelijk in lange
entre-deux, en korte strepen, welke het entre-deux als tot een traliewerk vereenigen. Voor elke streep zet men de vereischt wordende lengte op, het
haakgaren moet No. 90 of 100, de haaknaald van het
fijnste soort wezen, terwijl men zeer stijf moet haken.
1ste toer. In elken opzetsteek 1 v. st. ― 2de toer. 1 v. st. in den 1sten steek van den vor. toer, * 6 kett., van
de 5 laatste vormt men een naar beneden liggenden pic., daar men de kettingst. van de linker
naar de rechter zijde tot eene lus naar beneden legt, de lus van de naald laat glijden, met de
naald van boven in den 2den van de 6 kett. steekt en de er onder liggende lus doorhaalt; 5
kett., die men met 1 h. v. st. tot een naar boven liggenden pic. verbindt, 9 kett., de 5 laatste
tot een naar beneden liggenden pic., 1 pic. naar boven, 2 kett., 1 v. st. in den 8sten steek van
den vor. toer (7 steken overslaan). Van * af herhalen. (Men moet bij het verbinden van een
pic. den steek vast aanhalen). ―3de toer. * 1 v. st. in den middelsten steek van den eersten
boog van den vor. toer, 8 kett., 1 v. st. in het midden van den volgenden boog, 8 kett., 1 v. st.
in het midden van den nu volgenden boog, 11 kett. Van * af herhalen. ― 4de toer. * 9 kl.
st. elk door 1 kett. gescheiden op de 2 eerste kett.bogen van den vor. toer, gedurig 1 steek
overslaande, dan 2 kett., 1 h. v. st. in den v. st. van den vor. toer, die op den tweeden boog
volgt (in den geheelen steek stekende), op de 5 eerste van de 11 kett. haakt men: 1 v. st.,
3 st., 1 v. st., omvat den 6den kett. met 1 h. v. st.,
en haakt op de overige 5 kett.: 1 v. st., 3 st., 1 v.
st., dan 1 h. v. st. in den volgenden v. st., 3 kett. Van * af herhalen. De 3 laatste kett. worden voor het eerste van de 9 kl. st. gerekend. ― 5de toer. * 10
st. elk door 1 kett. geschei-
den, waarvan het eerste op het eerste st. van den
vor. toer, het laatste in den
2den kett.st., die op de 9 st. van den vor. toer volgt,
15 kett. Van * af herhalen. 6de toer. 9 st. elk door 1 kett. gescheiden op de 9 eerste st. van den vor. toer,
* 1 kett., 1 h. v. st. in den
2den van de 15 kett.; in de 5 volgende haakt men: 1 v.
st., 3 st., 1 v. st., dan 1 h.
v. st. om den h. v. st. van
den 4den toer, tusschen de 2 blaadjes; men omvat
daarmede tevens de volgen-
de kett. van den vor. toer; in de daaropvolgende 6 kett. haakt men: 1 v. st., 3 st., 1 v. st.,
1 h. v. st.; 1 kett., 8 st. elk door 1 kett. gescheiden op de 8 middelste van de 10 st. van den vor.
toer. Van * af herhalen. ― Men voltooit het entre-deux volgens aanwijzing op de afb., die ook voor de verdere uitvoering van de guipure strepen de beste leidraad zal wezen. De gebor-
duurde ruiten, waarvan het patr. uit een rad of wieltje met geborduurde moezen omgeven be-
staat, worden elk afzonderlijk gewerkt, met een smal feston omgeven, en in de vierkante ope-
ningen van het guipure genaaid.
De gehaakte kant, die rondom den buitenrand wordt aangezet, is als volgt: 1ste toer.
Deze vormt de schuin liggende blaadjes. * 7 kett., in den 2den hiervan 1 gr. st. met 4 maal
doorhalen, dat men evenwel niet geheel afwerkt, maar in plaats van de vierde maal doorhalen de lus als tweede
steek op de naald houdt, 1 zelfde st. in den 1sten van de 7 kett., zoodat men nu 3 lussen op de naald heeft, waarvan men eerst
2, dan nogmaals 2 te zamen doorhaalt. Hiermede is het blaadje
voltooid; 1 kett., tusschen het eene en het andere blaadje. Van
* af herhalen. ― 2de toer. * 2 door 3 kett. gescheiden v. st. in
de kett. tusschen de 2 blaadjes, 4 kett., 2 dubb. st. (met 5 maal
doorhalen) in den volgenden tusschensteek, 4 kett. Van * af
herhalen. ― 3de toer. 1 v. st. in de uit 3 kett. bestaande kleine lus van den vor. toer. * 3 kett., 1 h. v. st. in den 2den van deze laatste 3 kett., 2 kett., 1 v. st. in het midden van de 4 kett., 3 kett., 1 h. v. st. in den 2den van deze 3 kett., 2 kett., 1 v. st.
in het volgende dubb. st., 3 kett., in den 2den hiervan 1 h. v. st., 2 kett., 1 v. st. in het midden van de 4 volgende kett., 3 kett., in den 2den hiervan 1 h. v. st., 2 kett. Van * af herhalen. De 2 volgende toeren worden aan de tegenovergestelde zijde van de rij bladeren gewerkt. ― 4de toer. * 2 dubb. st. door 1 pic. gescheiden, in den steek waar de beide vaste steken van
den 2den toer in gewerkt zijn, 7 kett., 1 h. v. st. in den 3den hiervan, zoodat de 5 laatste 1 pic. vormen, 2
kett., 2 door 1 pic. gescheiden v. st. in den volgenden tusschensteek, 7 kett., de 5 laatste tot een pic. verbon-
den, 2 kett., Van * af herhalen. ― 5de toer. * 2 door 1 kett. gescheiden kl. st. in den 1sten pic. (tusschen de beide dubb. st.), 1 kett., 1 pic., 1 kett., 1 pic., 2 kett., 1 v. st. in den 2den daaropvolg. pic. (1 pic. overslaande), 2 kett., 1 pic., 1 kett.,
1 pic., 1 kett. Van * af herhalen. ― De kant is hiermede voltooid, en wordt aan de kleine puntjes van den 3den toer genaaid. Men kan haar aldaar om het aannaaien
gemakkelijker te maken met een toer kett. afsluiten. Het aanzetten in de puntjes
is evenwel meer aan te raden, wanneer men de kant op stof bezigt.
Gehaakt tusschenzetsel. (Guipure).
Afb. No. 70. Haakgaren No. 60 of 70.
De ruime keus van lingerien in dit nummer gegeven, biedt ruimschoots de ge-
legenheid aan, tot het gebruiken van deze tusschenzetsels. Men begint het tusschen-
zetsel met de middelste punt. 1ste toer. Afwisselend 7 kett., van de 4 laatste 1 pic.
daar men in dezen 4den kett. 1 h. v. st. haakt. Hierop teruggaande werkt men den
2den toer zoodanig, dat de pic. van den 1sten toer naar beneden liggen. Afwisse-
lend 1 h. st., 1 kett., 1 h. st.,
1 pic., met den
kett. als ook met
den pic. telkens 1 steek van den
vor. toer over-
slaande; de bo-
venste stekenlus
van den picot wordt ook als 1
steek gerekend,
de pic. van dezen
toer moet met dien
Rozet. Afbeelding No. 63.
Een opzetsel van 8 steken wordt tot eene rondte gevormd, waarin men het volgende werkt:
1ste toer. * 1 h. v. st. in den naastaanzijnden steek van de ronding, 1 pic. (dat is 5 kett., 1 h.
v. st. in den 1sten hiervan). Van * af nog 7 maal herhalen, 1 v. st. in den laatsten steek van de
ronding. ― 2de toer. Men werkt h. v. st. tot vanboven in het midden van den 1sten pic. van
den vor. toer, dan: * 9 kett., 1 h. v. st. in den bovensten steek van den tweeden daaropvolgen-
den pic. (dus 1 pic. overslaande). Van * af nog 3 maal herhalen. ― 3de toer. Als de 1ste toer,
echter in plaats van een gedurig twee h. v. st. tusschen den pic., zoodat zich hierdoor een kring van 20 pic.
vormt. ― 4de toer. Van de spits van den volgenden pic. af haakt men: * 9 kett., 1 h. v. st. in den tweeden daaropvolgen-
den pic. Van * af herhalen. ― 5de toer. H. v. st. tot op den middelsten steek van den eersten kett.boog, * 3 pic., 1 h. v. st.
in den 3den pic. voor den h. v. st., 1 h. v. st. in denzelfden kett.
boog, 5 kett., 3 pic., 1 h. v. st. in den 1sten kett. van den eer-
sten van deze 3 pic., 5 kett., 1 h. v. st. in den volgenden kett.
boog van den vor. toer. Van * af herhalen.
Rozet. Afbeelding No. 64.
Van het midden af beginnende haakt men den 1sten toer. * 8
kett., de 4 laatste overslaande, op elk van de 2 volgende 1 st.,
in den voorlaatsten steek 1 h. v. st. Men legt alsdan den draad
zoodanig, dat men van de rechter zijde af, van het zoo even vol-
tooide blaadje verder voort kan werken, en herhaalt dan nog 7
maal van * af. Aan het einde 1 h. v. st. in den eersten kett. van
het eerste blaadje, dan 1 rij v. st. tot aan de spits van het vol-
gende blaadje. ― 2de toer. * 3 kett., 2 door 2 kett. gescheiden
st. in de punt van het naar de linker zijde gaande blad. Van * af herhalen. ― 3de toer. * 1 kett., 1 pic., 1 kett.,
1 pic., 1 kett., 1 pic., 1 kett., 1 h. v. st., in het volgende st., 2 kett., 1 h. v. st. in het volgende st. Van * af
herhalen. Met dezen toer is de rozet voltooid.
Guipure knoopwerk met geborduurde ruiten.
Afbeelding No. 65―67.
De samenstelling van guipure knoopwerk en kleine, op batist geborduurde rui-
ten is oorspr. eene nabootsing van de guipure versiering van den kraag en de man-
chette onder afb. No. 42 en 43 voorgesteld; maar ook voor een rand in een zak-
doek gebezigd, zal dit guipurewerk een fraai effect maken. Men werkt den ge-
knoopten grond (recht geknoopt) aaneen; de grootte van de ruitjes (de gaatjes)
moet naauwkeurig volgens afb. No. 65 genomen worden. Daarna spant men het
knoopwerk vooral stijf en recht op stijf papier of wasdoek, en voert dan het gui-
purewerk met fijn glansgaren er op uit. Afb. No. 63 toont de bewerking van den
point d’esprit aan, waar gedurig de geborduurde ruit wordt ingesloten, en
die tevens ook den buitenrand van den geknoopten grond afsluit; afb. No. 64 daar-
entegen stelt, zonder dat wij hiervoor eene verdere verklaring noodig achten, de
uitvoering van den
point de reprise voor, die uit een fi-guur van vier pijl-vormige blaadjes be-staat, en door een klein wieltje in het midden voltooid
wordt. De gebor-
duurde ruiten kan men op dezelfde
wijze aaneen, ver-
vaardigen, daar
men alsdan een stuk
Kraag en mouw “à barettes.”
Afb. No. 58, 59 en 69. Knippatr. keerzijde v. h. Supplem. No. XVI, Fig. 54―56.
Deze kraag onderscheidt zich door sierlijkheid en is toch zeer eenvoudig. Hij bestaat uit een gui-
pure entre-deux 2½ d. breed, waar doorheen volgens de afb. No. 69 zeer smal flu-
weelen lint is gehaald, dat aan beide zijden in een lus uitloopt, en wordt aan een recht
boordje genaaid. Het dichtmaken van den kraag aan de voorzijde is met een strik met
einden van zwart fluweelen lint 2 d. breed bedekt, hij wordt aan eene onderchemisette
van neteldoek of nansoek gezet. Aan den voorkant heeft de chemisette 9 smalle zoomen,
die telkens drie aan drie door twee breede op fig. 54
voorgeteekend, zijn ingesloten. Het zooeven genoemde
en ook Fig. 55 geven het fatsoen voor de chemisette.
Onder No. 59 vindt men de mouw die er bij behoort.
Men knipt deze naar fig. 56 in het midden langs de
dunne lijn aaneen, naait haar van 38 tot 39 en van 40
tot 41 toe, en legt in den bovenrand een zoom 1 duim
breed. Aan den onderrand krijgt de mouw een loozen
zoom 1½ d. breed, waarna men er volgens de afb. het
garnituur van guipure tusschenzetsel en fluweelen lint
oplegt. Bij den ondersten reep van het garnituur, moe-
ten de lussen van het lint die los over den zoom liggen,
zooals men dit ziet voorgesteld, dubbel genomen worden.
Kraag en mouw “à l’impératrice.”
Afb. No. 60 en 61. Knippatroon, voorzijde v. h. Supplement No. VII, Fig. 27 en 28.
Deze kraag heeft het zoogenaamde fatsoen “à l’impératrice” dat wel goed kleedt maar nog
niet lang geleden door de mode verworpen werd. Ons model van fijn linnen is om den buiten-
rand met een guipure kant 5 d. breed versierd, die er om den geschelpten rand en langs de
lijn daarvoor op het knippatroon aangewezen, met dichte steelsteken aan wordt gezet. Een
smal guipure kantje loopt om het uitsnijdsel van den hals heen. Fig. 27 geeft de helft van het
knippatroon en wel in de geheele breedte de kant medegerekend; men moet daarom bij het
knippen van den kraag uit eene dubbele laag stof, niet op den buitensten omtrek letten; voor
het nabootsen der kant door haakwerk zullen wij in een der eerstvolgende nummers van de
Gracieuse eene handleiding geven. De manchette welke bij dezen kraag behoort (afb. No. 61)
is zoo wijd dat men er met
gemak de hand door kan ste-
ken en wordt over de mouw
van den japon teruggesla-
gen, zij is geheel in overeen-
stemming met het garnituur
van den kraag. Fig. 28 geeft de helft van het knippatr., voor de mouw kan men het
knippatroon No. XVI, Fig.
56 nemen.
Drie gehaakte ro-
zetten.
Afbeelding No. 62―64.
Zoowel elk afzonderlijk,
voor application in linnen kragen en manchetten, als
ook tot een geheel fond sa-
mengesteld, zijn deze rozet-
ten zeer fraai, en kunnen in
dit laatste geval ook van
grof garen gehaakt worden.
Rozet. Afbeeld. No. 62.
Men zet 8 steken op, sluit
deze tot eene ronding en werkt hierin als 1ste toer 8 elk door 3 kett. gescheiden stokjes. ― 2de toer. in el-
ken kett.boog haakt men: 1 v. st., 3 st., 1 v. st.
[4 April 1866. 4e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 79
No. 69. Afzonderlijk gedeelte
bij afb. No. 58 en 59.
No. 65. Geknoopte guipure met geborduurde ruiten.
Bij Afb. No. 42 en 43.
No. 62. Gehaakte rozet.
No. 72. Afzonderlijk gedeelte bij afb. No. 54 en 55.
No. 66. Point d' esprit.
No. 63. Gehaakte rozet.
No. 64. Gehaakte rozet.
No. 70. Gehaakt tusschenzetsel. (guipure.)
No. 71. Afzonderlijk ged. bij afb. No. 52 en 53.
No. 73. Afzonderlijk gedeelte bij afb. No. 56 en 57.
No. 74. Afzonderlijk gedeelte bij afb. No. 48 en 49.
No. 68. Gehaakte guipure met geborduurde ruiten.
Bij Afb. No. 42 en 43.
No. 67. Point de reprise.