De Gracieuse 2 January 1866 | Page 2

nauwkeurig overeen moeten komen en de draad na het aanmazen aan de ver-

keerde zijde wordt bevestigd, door hem door eenige steken te halen.

Pelerine van zwart satijn.

Afb. No. 7. Knippatr. keerz. v. h. Suppl. No. XII, Fig. 42 en 43.

Als onze jeugdige lezeressen van het hoofd tot de voeten met een lief

toiletje prijken, om zich naar het bal of de soirée te begeven, dan heb-

ben zij voor en na het feest nog wel iets noodig, om den hals voor den

invloed der koude te beveiligen. Zulk een omhulsel vinden zij onder de Afb. No. 7. Ons model geeft eene doorgestikte pelerine van zwart satijn te zien; zij is met kleine waspaarlen, waarvan er telkens een op het kruispunt van de doorgestikte lijnen is genaaid versierd, de buitenrand

is met een strookje van wit taffen lint 3 d. breed, waar zich aan den

rand van onderen eene zwarte koordfranje van dezelfde breedte aansluit gegarneerd. De linten frisure wordt met eene een weinig ingerimpelde zwarte blonde 3½ d. breed, met witte kralen er op vastgehecht, bedekt. Verder zal men de pelerine, voor welke men behalve satijn ook zijden

popeline, reps enz. hetzij wit, zwart of in eene andere kleur nemen

kan, met behulp der bovengenoemde knippatronen zonder nadere be-

schrijving gemakkelijk kunnen

vervaardigen.

Gebreide bretellen.

Afb. No. 8 en 9. Estramadura No. 4.

Wij willen deze gebreide bretellen geenszins met den naam

van nieuw betitelen, maar bevelen ze toch als sterk, duurzaam

en bruikbaar aan.

Afb. No. 8 toont een breiwerk, dat slechts met twee naal-

den geheel averecht in heen en weder gebreide toeren, een ge-

heel recht gebreid dubbel weefsel vormt.

Verklaring der afkortingen:

Afh. (1 steek afhalen) de 1ste steek van elken toer wordt

recht afgehaald, overigens steekt men bij het afhalen van den

steek zoodanig in, als wilde men hem averecht afbreien, en

laat daarbij den draad achter den steek liggen. Omsl. (omslaan)

de omgeslagen draad wordt in den volgenden toer,

of men hem averecht te breien of af te halen

heeft, gedurig verdraaid, zoodat hij geen ope-

ning vormt. Aver. (is 1 steek averecht breien)

de laatste steek van elken toer wordt averecht gebreid.

Men windt ongeveer 4 Ned. el van het katoen voor een later gebruik

bij het vervaardigen van het knoopsgat af en zet dan 8 steken op.

1ste toer. Afh., omsl., 1 aver., omsl., 1 aver., omsl., 2 aver.,

omsl., 1 aver., omsl., 1 aver., omsl., 1 aver.

2de toer. Afh., omsl., 1 aver., dan afwisselend: afh., 1 aver.

3de toer. Afh., omsl., dan afwisselend: 1 aver., afh., de beide

steken aan het eind worden aver. afgebreid.

4de toer. Afh., omsl., dan afwisselend: afh., 1 aver.

5de toer. Afh., omsl., dan afwisselend: afh., 1 aver.

6de toer. Afh., omsl., afwisselend: 1 aver., afh.

7de toer. Afh., omsl., afwisselend: 1 aver., afh., voor den laat-

sten steek wordt omgesl.

8ste toer. Afh., 1 aver., afwisselend: afh., 1 aver., voor den laatsten st. omsl.

9de toer. Afh., dan af-

wisselend: 1 aver., afh. Deze toer die 22 steken tellen moet, herhaalt men nog 6 maal en begint in den 16den toer het eerste knoops-gat. Men breit tot aan de helft van den toer, dan neemt men eene derde naald en breit met behulp hiervan elke helft van het knoopsgat afzonderlijk, 18 toeren hoog, terwijl men voor de tweede helft het afgewonden katoen bezigt. Aan het einde, waar de draden in het midden bij elkander komen, breit men

de beide middelste steken (de zijsteken van elk knoopsgat) met den dubbelen draad te zamen af, legt de derde naald weder weg en werkt als tot nu toe voort. Het overgebleven katoen wordt afgeknipt en het einde hiervan zorgvuldig vastgenaaid. Van de dubbele draden van de beide als een steek afgebreid steken vormt men in den volgenden toer weder 2 steken. De verdere bewerking blijkt van zelf uit de afb. Bij het tweede knoopsgat beginnen gelijktijdig de meerderingen aan beide zijden van de bretellen, daar men in elken 9den en 10den toer (dus in eene

tusschenruimte van 8 toeren), na den 1sten en voor den laatsten

steek omslaat. Zooals zichtbaar is, wordt aan elke zijde 7 maal ge-meerderd, waardoor na de laatste meerdering het getal steken 50 bedragen moet. Dan begint het patr. dat in 2 st. recht, 2 aver.

bestaat en geene ver-

dere verklaring be-

hoeft, wij willen

slechts herinne-ren, dat, wegens het dubbele brei-werk, het afha-len na elken ge-breiden steek

moet worden

voortgezet. De lengte van de bre-telle moet naar de

persoon waarvoor hij bestemd is worden genomen, het oorspr. is 49 d. Het tweede ge-deelte voor de

knoopsgaten wordt,

met minderen in plaats van meerderen, op de

voorgeschrevene wijze gewerkt.

Afb. No. 9. Deze bretelle is van grof ongebleekt katoen, waarvan het gedeelte voor de knoopsgaten met dubbel katoen 14 steken breed heen en weder geheel recht gebreid is; het patr. dat zich aan het gedeelte van het knoopsgat aansluit is ― even als

het vorige ― in eene dubbele laag zoodanig gewerkt, dat men het naar welgevallen met gekleurd veterband of lint kan doorrijgen. Aan het begin van het patr. verdeelt men de met het dubbele katoen gebreide steken, dat is: men breit van de 14, nu 28 steken, waarvoor men zoowel fijnere naalden als ook slechts

een draad bezigt. Het patr. wordt aldus gewerkt.

1ste toer. 1 recht, 3 afh. (de draad moet bij dezen

toer gedurig achter de afgehaalde steken blijven

liggen), 4 r., 4 afh., 4 r., 4 afh., 4 r., 3 afh., 1 r.

2de toer. Afwisselend 4 afh. (de draad moet hierbij gedurig voor de steken liggen), 4 aver. Deze beide

toeren worden nog 2 maal herhaald.

7de en 9de toer. Geheel aver. 8ste en 10de toer. Ge-heel recht. Men werkt nu gedurig deze 10 toeren. Het

einde van de bretelle wordt overeenkomstig het begin gewerkt, daar men weder een dubbelen draad aanlegt, de grovere naalden ter hand neemt en in den eersten toer van het gedeelte voor de knoopsgaten

telkens 2 steken als een steek te zemen breit.

Gehaakte slopkous voor dames.

Afb. No. 10. ― 3 lood zwarte, 1½ lood grijze wol.

Deze slopkous die een warm en gemakkelijk omkleedsel voor den voet is, wordt aan eene zijde vastgemaakt. Zij is met den geribden haak-

steek in heen en weder gewerkte toeren uitgevoerd (gedurig in de ach-

terste stekenlus stekende), de moezen die er zich op bevinden worden

van dubbele stokjes gevormd, die telkens drie aan drie verzet gewerkt

worden, elk door 3 vaste steken zijn afgescheiden en telkens twee ribben

van den fond overspannen. Bij de bewerking van dezen st. steekt men

na het tweemaal omslaan niet als gewoonlijk in eene lus van den steek

van den vorigen toer, maar men slaat twee toeren over en steekt

op de rechte zijde in eene rechte richting in de daaronder liggende

stekenlus van den derde toer. Van den eenen stokjestoer tot den an-

deren worden 3 toeren zonder st. gewerkt. Volgens het oorspr. is de

fond met zwarte, en zijn de moezen met grijze wol gehaakt, wij laten

evenwel de keus der kleuren aan onze lezeressen over. Men begint de

slopkous aan den toon of punt met de zwarte wol en een opzetsel van

4 steken, haakt in bovengenoemde wijze 20 toeren, waarin men telkens

aan het begin, als ook in de beide middelste steken in

elk 1 st. meerdert, zoodat hierdoor de 20ste toer 64 st.

telt. In den vierden toer begint het patr. met de moe-

zen, zooals op de afb. duidelijk is voorgesteld. Van den 21sten―45sten toer meerdert men nu nog regelmatig in

het midden, in verloop van deze 25 toeren mindert men

aan elke zijde van het haakwerk slechts vijfmaal, dus tel-

kens bij den 5den toer, zoodat de 45ste toer 104 st. telt. Het voetblad is nu voltooid. Men haakt in verband hiermede

den hiel van de slopkous, daar men de 10 middelste st.

van het voetblad laat staan en aan de rechterzijde hiervan

eerst 20 toeren voortwerkt, waarbij men aan den boven-rand van de slopkous in elke ribbe 1 st. mindert, dan

nog 28 toeren in hetzelfde getal st. (65).

Hiermede is de hiel van de slopkous

voltooid. Door weglating of bijvoeging van eenige ribben aan het voetblad of

aan den hiel is de grootte van de slopkous, wanneer dit vereischt wordt,

gemakkelijk te veranderen. Aan de andere zijde van het voetblad werkt

men drie naar onderen korter afloopende toeren, waarvan de eerste

van den bovenrand van de slopkous af gerekend 19 steken, de

tweede 10 steken, de derde 3 steken bedraagt. Aan dezelfde

zijde haakt men dan 5 toeren v. st. heen en weder gedurig door

beide stekenlussen stekende, waarbij men in den 3den toer tot

vorming van het knoopsgat na elke 5 v. st., 5 kett. haakt en

met den laatsten evenzooveel steken van den vorigen toer over-

slaat. De bovenrand van de slopkous omgeeft men met een toer

v. st. met de grijze wol, die aan den buitenrand aan de zijde

van het knoopsgat en om den onderrand op de volgende wijze

met puntjes wordt voortgezet: * 3 kett., 1 h. st. in den 2den

van de 3 kett. (dus

den laatst gehaakten kett. overslaande), 1 st. in den 1sten van de 3 kett.; men slaat

3 steken van den rand over en

haakt 1 v. st. in den vierden daar-opvolgenden st. Van * af herhalen. Zooals de afb. aantoont, worden de knoopsgaten ook aan de andere zijde met puntjes omgeven. Voor het garnituur aan den bovenrand van de slopkous zet men het de zwarte wol de vereischt wordende lengte op, haakt daarop 1 of 2

toeren v. st. en aan beide zijden van deze smalle strook een toer puntjes met de grijze wol. Dit voltooide garnituur naait

men dan aan den bovenrand van de slopkous, waaraan nog

een knoop wordt gezet, bovendien verkrijgt zij van onderen

nog een lederen band of souspied ongeveer 5 d. breed en 7 d. lang.

Lampenhoed in den vorm van een schoorsteen.

Afb. No. 11. ― Rood reps, rood laken, 2 strengen roode zephir-

wol, zwarte taf, 50 d. dun zwart zijden koord, een pop 8 d.

hoog enz.

Een schoorsteen, waar een klein zwarte schoorsteenveger uit-

komt kijken, als lampenhoed te bezigen, is een origineele in-val, en zal voorzeker vele onzer abonnées aansporen hem te vervaardigen. Men begint met het binnenste gedeelte van den

schoorsteen het eindelijke hoedje, haakt hiervoor met de roode wol over dun koord met v. st. eene vlakke ronding 2½ d. in doorsnede, dan nog 4 toeren zonder meerderen voor den rand

van het hoedje. Voor den schoorsteen knipt men 4 stukjes carton

elk 4½ d. hoog en 4 d. breed, bekleedt deze voor de binnen-

zijde met zwarte taf, van buiten met rood reps en maakt

daarop de voegen van de steenen van den muur met lange

steken van witte zijde. De vier cartongedeelten worden aan

de lange zijden met overhandsche steken op de rechte

zijde aan elkander genaaid en aan den bovenrand van

den schoorsteen met een toer puntjes van roode wol

(aan elk gedeelte 3 puntjes) omhaakt. Men steekt

hierbij met de haaknaald in het reps en werkt voor

elk puntje: 1 v. st., 6 st., 1 v. st. De onderrand

van den schoorsteen wordt met roode wollen stof

omgeven, het gehaakte hoedje er in geschoven

en van onderen met den rand aan dien van

den schoorsteen gehecht. Voor het nage-

bootste gedeelte van het dak, waaruit de schoorsteen steekt, knipt men vier

reepen carton, elk 6 d. lang, 1½ d. breed, waarvan de dwarszijden zoo-

danig schuin worden afgeknipt, dat de eene lange zijde slechts 4 d. bedraagt.

Deze reepen carton overtrekt men aan beide zijden met roode wollen

stof, naait ze aan de afgeschuinde dwarszijden aan elkander en be-

vestigt dan het hierdoor ontstane dak met de nauwe opening

aan den onderrand van den schoorsteen. De dakpannen

worden uit 4 laken strooken elk 1½ d. breed ge-

vormd, die aan den onderrand met bo-

gen zijn uitgeknipt, en de een over de

andere heenhangende, glad op het dak

worden vastgehecht. De kleeding van den kleinen schoorsteenveger, voor

wiens bezem een bosje zwart paarden-

haar of stijf garen dient, vervaardigt

men van zwarte zijde, daar men elk afzon-

derlijk gedeelte over de pop aan elkander naait,

de knoopen bootst men met kleine zwarte kralen,

den kogel die aan het zwarte koord hangt dat van

den linker schouder om het lijf geslingerd is, door 1

groote zwarte kraal na.

14 DE GRACIEUSE. [2 Januari 1866. 4e Jaargang.]

No. 9. Breipatroon voor bretellen.

No. 5. Het inbreien van den hiel in de

kous. (Tweede gedeelte).

No. 8. Breipatroon voor bretellen.

No. 4. Het inbreien van den hiel in de kous. (Eerste gedeelte).

No. 6. Het aan elkaar mazen bij het inbreien

van den hiel. (Derde gedeelte).

No. 7. Pelerine van zwart satijn. (Knippatr. keerz.

v. h. Suppl. No. XII, Fig. 42 en 43.

No. 10. Gehaakte dames slopkous.

Tweederde der oorspr. grootte.