De Gracieuse 1863 | Page 54

46 DE MAAND APRIL.

lezeressen van Gracieuse voor hoogst onwetend te worden gehouden, moet ik bekennen van de drie eerstgenoemde dames niet te weten. CATHARINA, ter on-derscheiding van hare naamgenooten naar haar geboorte-oord bijgenaamd van Siëna, leefde in de laatste helft der veertiende eeuw (1347–1380). Indien het waar is wat hare levensbeschrijvers verhalen, dat zij reeds op achtjarigen leeftijd zich uit vroomheid verbond om niet in het huwelijk te zullen treden, beging het arme kind op uitwendingen aandrang eene dwaasheid, die zij zelve niet begreep, en deed eene belofte, voor welke het nog veel te vroeg zou geweest zijn toen zij op drieëdertigen leeftijd overleed. Het merkwaardigste dat mij van deze vrouw be- kend is, bestaat daarin, dat zij door hare nadrukkelijke, invloedrijke taal bij paus GREGORIUS XI te weeg bragt, dat hij den pauselijken zetel, die sedert het jaar 1309 te Avignon in Frankrijk gestaan had, ten jare 1377 weder naar Rome verplaatste. – Kluchtig is, om ook dit nog te zeggen, een geschil, waartoe de heiligverklaring van onze CATHARINA door paus PIUS II in 1461 aanleiding gaf. Men had daarbij namelijk gezegd, dat CATHARINA afkomstig was uit het oud-adelijk geslacht der Farnese’s, een der aanzienlijkste van Italië. Maar – daar gingen de poppen aan den dans! Of de Farnese’s er nu niet hoog mede liepen, dat zij eene heilige aan de kerk hadden geleverd, dan of er iets anders achter schuilde, – althans zij protesteerden met zooveel nadruk tegen die eer, dat de heilige vader ten laatste genoodzaakt was, vormelijk te verklaren, dat de ver-melding van de afkomst der nieuwe heilige eene vergissing, en CATHARINA eene eenvoudige verwers dochter geweest was, waarmede het hooggaande geschil tus- schen den pauselijken stoel en de Farnese’s een einde nam; driekwart eeuw later (in 1535) beklom een Farnese den pauselijken zetel onder den naam van PAU-LUS III.

Zoo arm voor onzen oogst de kerkelijke almanak in deze maand was, zoo rijk is de geschiedenis, zoo zelfs, dat wij ons meer moeten bekrimpen dan wij wenschten. Ware dit niet zoo noodig, dan zou vrij wat stof geleverd worden door JACOBA VAN BEIJEREN alleen, die den 1sten April 1418 ten behoeve van haren oom, hertog JAN, afstand deed van eenige steden en heerlijkheden in Holland; den 4den April van datzelfde jaar een ongelukkig huwelijk aanging met den laffen en zwakken JAN VAN BRABANT, die den grond legde tot de rampen en misschien ook tot de failen deze schoone, maar ongelukkige gravin; den 23sten April 1433 ter liefde voor haren vierden gemaal, FRANK VAN BORSELEN, afstand deed van hare vorstelijke regten; en den 30sten April 1426 bij Alphen eenen veldslag won tegen PHILIPS VAN BOURGONDIË. Maar ook buiten deze vermaarde vorstin over-stroomt de April-maand ons met vaderlandsche herinneringen. Denkt slechts aan 4 April 1625, toen Prins FREDERIK HENDRIK in het huwelijk trad met de als beminnelijke prinses zoo bekende AMALIA VAN SOLMS; aan 5 April 1566, toen MARGARETHA VAN PARMA, landvoogdes der Nederlanden, de vierhonderd edelen ter gehoore ontving, die haar verzachting in de bloedplakaten kwamen verzoeken, terwijl met de weigering de tachtigjarige strijd onzer vaderen voor vrijheid van