DE MAAND APRIL.
Indien het waar is, zoo als velen zeggen, dat deze maand haren naam onleent van een Latijnsch woord, dat openen beteekent, dan draagt zij dien voorzeker teregt, want in de “openingsmaand” ontsluit zich als het ware de korst des aardrijks om doorgang te verleenen aan de ontkiemende gewassen, zwellende blad-knoppen en vriendelijke bloemen. Staat kan men echter op het weder nog niet maken, al belooft een heerlijke dag sneele schreden naar den zomer, want de veranderlijkheid van het weder in April is zelfs ten spreekwoord geworden; ten spreekwoord, dat zich, naar wij vertrouwen, wel in geene der beminnelijke leze-ressen van dit Maandschrift verwezenlijken zal, want wuftheid en wispelturigheid is een gebrek, dat tot de zamenleving alleronaangenaamst is, het blijkt oplevert van geheel gemis van vaste beginschen, en diegenen, welke er zich in toegeven, ook een verdrietig leven voor henzelven bezorgt. Wilt gij het middel kennen, waarde vriendinnen, om deze kwade hebbelijkheid in u te keer te gaan, hoedt u den tegen overijling; verzint eer gij begint; laat u in hetgeen gij bij ondervinding als minder aangenaam leert kennen niet terstond ontmoedigen; gewent u niet van het eene op het andere te springen; deinst niet te spoedig terug voor ware of vermeende zwarigheden; handelt meer naar welberadene eigene overtuiging dan naar iederen indruk van buiten; vraagt bij hetgeen gij u voorneemt niet naar luim, maar het eerst naar pligt, en – ik verzeker het u – dan zult gij nim- mer zoo veranderlijk worden als het weder in April.
April! Maan van ontbering, van togt, van vocht, van ongerief als het mid- den in de schoonmaak is! Ja, lieve meisjes, dat is de gewone mannenklagt; maar weet dat het een schoon sieraad is van uw geslacht, de lasten van het lastige zooveel mogelijk af te wentelen; men kan bij allerlei dingen eenen vreeswekken-den, vermoeïenden omslag hebben en men kan ook de onaangenaamste zaken zoo stil en ongemerkt behandelen, dat het niemand hindert en men het niet eens bemerkt. Dat is eene groote kunst, maar zij is het waardig, dat men haar door oefening aanleert; zij is eene van die hoedanigheden, door welke het meisje, en later de vrouw, wordt wat haar schoonste sieraad is – dat zij tevredenheid, zegen, blijfschap om zich verspreidt, zonder dat men overal of altijd de wel-doende hand kan nagaan of bemerken – het beeld der goddelijke zorg, die, naar de uitspraak van JEZUS zelven, het koren doet opwassen “zonder dat iemand weet hoet.”
Maar het wordt tijd dat ik mijne zedelessen staak om naar gewoonte almanak en geschiedblad op te slaan en het een en ander te herinneren wat op April be-trekking heeft.
De eerste, de almanak, is ditmaal bijzonder arm. Hij noemt in April slechts de feest- of gedenkdagen van ST. WALTRUDA (den 9), LUDWINA (den 14), OCTAVIA (den 15) en CATHARINA VAN SIËNA (den 30). Op het gevaar af van door de