Oudere jongens dragen eene wijde blouse, Polonaise ge-noemd en rond het middel gesloten met een lederen riem; daarbij behoort een wijde korte broek, in een band gevat die rond de knie sluit met zwart fluweelen lussen. Kleine meisjes dragen meest lage lijfjes, kleine jakjes of wel chemises Russes; deze laatste worden gebruikte met rokjes van eene zelfde stof, en men garneert ze veel in point Russe met zwarte wol. Beide, meisjes en jongens, dragen te Parijs de kleine bottes impériales, in marokijn leder, reikende tot halverwege het been, boven op den voet geregen en van boven versierd met twee kleine zwart zijden kwasten; soms ook worden die laarsjes op zijde toegeknoopt.
De modeplaat geeft het volgende te zien:
Toilet voor buitentogtjes. Wit paardenharen hoed, van voren gegarneerd met een zwart taffen chou en zwarte ve-deren, terwijl ééne grootere witte struisveêr meer ter zijde is aangebragt.
Pardessus en jurk van piqué, modekleur (cuir) afgezet en be-werkt met zwarte soutache en smal galon van dezelfde kleur ― de pardessus, die een klein omliggend kraagje heeft, is van bo-ven gesloten doch loopt naar beneden rond weg ― van achte-ren is door eene ronde naad de taille aangegeven. De elleboogs-mouw is op de bovenzijde gegarneerd. Een geborduurd wit dasje voltooit dit toilet.
Wandelkleeding. Wit tullen hoed, versierd met fuchsia-kleurige vederen en lint: het intérieur zijn kamelias in eene witte blonde ruche geschikt.
Japon van zijden gaas met bouquetjes; het lijf, van voren eenigzins puntig, vormt van achteren drie afgeronde slippen: een plat opgezet taffen boordsel en eene smalle ruche geven op het lijf den vorm aan van een jakje ― rondom loopt een smalle gepijpte volant. De wijde mouw, met een jockey en halfsluitend handboord, heeft hetzelfde garneersel als het lijf. Digtgegespte ceintuur. De rok is omzet met een breeden taffen band, ge- plaatst tusschen twee volants die opgezet zijn met eene taffen ruche.
Meisje van vijf tot zeven jaren. De stroohoed is ge-garneerd met zwart fluweel, eene zwarte veêr en een kleinen kersrooden chou. Het wit neteldoeksch jurkje heeft een Zwitsersch lijf met daarbij behoorende ruime mouwen. Het sluitende halve lijfje is van groen taf en omzet met een digt plooisel. Twee gelijke plooisels zijn ook op den rok aangebragt.
46 MODES.