32 HANDWERKEN EN MODES.
legsel. De oostersche Burnus zal ook nog veel gedragen worden, meest echter van eene gestreepte dunne wollen stof, b.v. vurig pensée met wit, zwart met wit, grijs met wit, enz.
De modeplaat geeft het onderstaande:
Stroohoed met ligt geel lint en zwarte kant; struivederen van gelijke kleur als het lint en rustend op eene ruche van blonde zijn hoog in de pas aangebragt.
Zwart taffen mantel; het garneersel in breed zwart galon is omgeven door een soutache versiersel en guipure kant. Op den vrij engen aan de pols bijna sluitenden elleboogsmouw valt eene épaulette van passementwerk.
Blaauw taffen japon met garneersel in donkerder blaauw.
Kapsel. Blaauw net met eene ruche lint van gelijke kleur — Zouavenjakje en rok van taf, couleur cuir; het borduursel in zwarte soutache. — Zwarte Médicis-ceintuur.
Wit tulen hoed, gegarneerd met blonde op de pas en aan de bavolet; rose vederen en rose strikbanden. Echarpe en japon van grijze taf, met wit taffen strepen; een zwart netwerk wordt ingesloten door zwarte kant. De écharpe is met zwarte kant omzet; twee smalle gepijpte grijze strookjes omgeven den rok der japon.
Zwart kanten kapsel met grenaatbloemen of capucijnbloesem; Figaro vest en rok gros grain Mauve, met zwarte kant en borduursel.
Wit tulen hoed met paarsche seringen op de pas, en van binnen paarsche marguerieten. Groen taffen bavolet en strikban-den; bovenop zwarte kanten en passementwerk.
Groene rok met tusschenzetsel van zwarte guipure.
De taffen hoeden, van onderscheiden kleur, glad of ruim, met gewonen of met dormeuse bol, zullen in het aanstaande saisoen zeer veel gedragen worden. Wij geven een paar mo-dellen daarvan aan: het eene in havanna of modekleur, het andere in lila-taf.