De Gracieuse 1863 | Page 275

Fijn roodbruin trijp, bandgaas 1,95 Ned. el, sephirwol en kralen, voering en vulsel.

Het voeringkussen heeft een vlakken ronden bodem van 24 duim in doorsnede,

dat over een bordpapier wordt heen ge-trokken, om het stevigheid te geven; het bovenste gedeelte is eenen cirkel van 60–63 duim in doorsnede, dat met plooijen aan den bodem bevestigd wordt.

Dit kussen vult men met paardenhaar of zeegras nog al stevig op, en over-trekt het dan geheel met de bruine trijp, dat van dezelfde grootte als de voering geknipt moet worden, waarna men het met 6 geborduurde banden versiert.

Hiernevens eene afbeelding van de banden welke met kralen, volgens de aangeduide teekens gewerkt wordt. De grond of vulkleur laten wij aan de keuze der dames zelve over, ofschoon wij ge-looven dat azuurblaauw hier een zeer goed effect zal maken. Elke streep hier-van is 30–32 duim lang, en wordt, van het midden af tot van onderen op het kussen, aan beide zijden op de trijp vastgenaaid, waarbij men zorg drage de strepen even wijs van el-kander te plaatsen. Het gegarneerde overtrek wordt dan in gelijkmatige plooijen aan den grond van het kussen genaaid, waarna men er van onderen eene voering tegenlegt van damast van dezelfde kleur als de trijp. Van onde-ren wordt er een dikachtig koord tegen-genaaid om de naad te bedekken. In het midden, waar de geborduurde ban-den vereenigd zijn en het kussen eene diepte heeft, is eene soort van knoop, die eene opening heeft, om een koord met eene lus door te halen, bevestigd.

Deze lus is tevens zeer gemakkelijk om het kussen bij op te vatten.

HANDWERKEN EN MODES. 7

ROND VOETKUSSEN.

Plaat XXVII, Fig. 3.