HANDWERKEN EN MODES. 5
van den toer tot op de helft van den voet; deze regte reep vormt den hiel, en wordt aan den 17den toer van den voet, namelijk aan de onbewerkte geble-ven steken, vastgenaaid.
De zool van het sokje wordt heen en weder met vaste steken gehaakt, maar hierbij neemt men de beide lussen van den steek op.
Men zet voor de zool 8 kettingste-ken op.
1ste toer. 8 vaste steken.
2de en 3de toer. 9 vaste steken.
Van den 4de tot den 14den toer. 10 vaste steken.
15de toer. 8 vaste steken.
Van den 16den tot den 19den toer. 6 vaste steken.
Van den 20sten tot den 30sten toer. 8 vaste steken.
Van den 31sten tot dne 34sten toer. 6 vaste steken.
Dan naait men de zool van onderen aan het sokje.
Voor de revèrs welke op het blad van den voet gewerkt is, zet men met de bruine wol 24 kettingsteken op, doch dit moet niet te los gehaakt worden; dan werkt men daarop: * 1 half stokje, 1 stokje, 1 sokje met 2 maal omslaan, 2 stokjes met 3 maal omslaan, 1 stokje met 2 maal omslaan, 1 sokje en 1 half stokje *. men herhaalt van * tot * nog 2 maal.
Op dezen toer haakt men met de witte wol 1 toer vaste steken, in elke holte van den boog werkt men 1 vaste steek op den steek van het opzetsel die
er tegenover ligt, zoodat hierdoor een lange steek tusschen de 2 halve stokjes komt. Men naait de revèrs van voren op den voet, en bevestigt hem met een zwart knoopje in elken boog.
Van boven aan het sokje wordt nog een kap van witte wol met stokjes ge-haakt. Dit moet ook los gewerkt worden.
1ste toer. Deze wordt in den bovensten toer van het sokje gewerkt; * 2 stokjes, 1 kettingsteek *, herhaal van * tot *; men werkt deze stokjes zoodanig dat de toer hierdoor niet trekt of te ruim wordt.
2de toer. Geheel stokjes, en wel op den kettingsteek 2 stokjes, en tusschen de 2 stokjes van den vorigen toer in 1 stokje.
Van den 3den tot den 6den toer. Stokjes.
7de toer. * 1 vaste steek tusschen 2 stokjes in, 3 kettingsteken tusschen het tweede en derde stokje gestoken * ; herhaal van * tot * den geheelen toer.
Daarna haakt men nog 2 toeren met kleine bogen, die naar beneden hangen, waarvan de eerste tusschen de stokjes van den vijfden toer gewerkt wordt; men haakt dus * 1 vaste steek tusschen 2 stokjes in, 4 kettingsteken tusschen het tweede en derde stokje *; herhaal van * tot * den geheelen toer.
2de toer. * 1 vaste steek in de ope-ning van de kettingsteken van den vo-rigen toer, 4 kettingsteken *; herhaal van * tot *.
Men haalt vervolgens door den eersten witten toer van den kap, een wit wol gehaakt koordje, dat aan beide einden van een kwastje voorzien wordt.