HANDWERKEN EN MODES. 3
dezelfde steek, doch aan de hoeken moet men eenige steken meerderen, opdat zij niet zullen trekken. De eerste dezer 4 toeren wordt van witte wol, de 2de toer met 1 steek witte en 1 steek roode wol, de 3de toer als de eerste toer en de 4de toer als de 2de toer, gewerkt, doch ook hierbij moeten de roode en witte steken verzet worden.
Kant.
(Diamantsteek.)
De diamantsteek onderscheidt zich door eene kleine verandering van de guimpensteek, door vaste steken en stokjes, en wordt ook van eene zijde geheekt. Om herhalingen te vermijden geven wij de verklaring van de beide verschillende steken die in de diamant-steek voorkomen op, daar zij in hare uitvoering in zooverre van den gewonen haaksteek afwijkt, dat zij een dubbele grond heeft.
Voor de vaste steek van de diamant-steek, haalt men den draad door de beide lussen van den vorigen toer, steekt vervolgens in de achterste lust van den volgenden steek van den voorgaanden toer, en haalt nu, even als bij eenen vasten steek, den draad door de drie steken welke op de naald zijn, heen. Bij de vol-gende steken haalt men den draad door de beide lussen van denzelfden steek welke men zoo even gewerkt heeft, dan weder in de achterste lus van den vol-genden steek van den voorgaanden toer, zoo als wij boven beschreven hebben. Doch de eerste toer hiervan wordt, even als de eerste toer van de guimpensteek gewerkt, met eenen lus opnemen.
Een stokje in den diamantsteek te wer-ken, geschiedt bijna als de zoo even be-schrevene vaste steek, namelijk: men slaat den draad om de naald, haalt daarna den draad door de twee lussen van den steek van den voorgaanden toer, steekt in de achterste lus van den volgen-den steek in, slaat den draad om de naald en haalt hem door twee lussen welke op de naald zijn heen, slaat weder den draad om en haalt hem nu door de drie lussen welke nog op de naald zijn, zoo-dat er nu één steek op de naald over-blijft. Men kan hier, even als bij het gewone haken, de stokjes met 2 of 3 maal omslaan werken.
Voor den kant van het hierboven beschreven rugkussen zet men met de roode wol zooveel kettingsteken op als er noodig zijn voor het geheele kussen, doch men zij indachtig dat de hoeken een weinig ruim moeten wezen.
1ste toer. In elken steek van het op-zetsel 1 vaste steek. (De eerste steek van dezen toer als ook van de volgen-den, moet een gewonen vasten steek zijn, de overige vaste steken worden met den diamantsteek gewerkt).
2de toer. * 9 vaste steken op de vaste steken van den vorigen toer, 3 ketting-steken; dan 1 stokje dat tusschen de beide volgende steken in gewerkt wordt, vervolgens 3 kettingsteken *, herhaal van * tot *.
3de toer. * Op de 9 vaste steken van den voorgaanden toer werkt men nu 7 vaste steken, terwijl men de eerste en de laatste van de 9 steken onbewerkt laat, 3 kettingsteken, en 3 stokjes op het ééne stokje van den voorgaanden toer; dan weder 3 kettingsteken * herhaal van * tot *.