De Gracieuse 1863 | Page 269

Hiervoor is noodig 5 mas opaal witte, 1¾ mad blaauwe, 1¼ mas gouden ge-galvaniseerde bohemer kralen van ge-wone grootte; blaauwe en witte kralen van 4 duim lang, sterk koord en dik omwoeld ijzerdraad.

De geregen grond van deze bloemen-hanger, die volgens afbeelding van plaat XXVIII Fig. 9 vlak uitgestrekt doch verkleind wordt voorgesteld, duidt zeer naauwkeurig de ligging als ook het ge-tal kralen aan. Zij wordt, uit het midden beginnende, in de rondte voortgewerkt. De afbeelding is zoo duidelijk, dat men zelfs het verschil der kleuren kan zien en ons ook hierdoor van de speciale beschrij-ving van elken toer bijna ontheft. Wij zul-len hier evenwel toch eene kleine verkla-ring bijvoegen. De kleine donkere ster in het midden wordt met blaauwe kralen ge-werkt; evenzoo de donker geteekende kra- len welke eene grootere ster van punten vormt. De tusschen deze groote punten inliggende kleine punten, welke uit 4 toeren bestaat en een medaillon vormt,

zijn gouden gegalvaniseerde kralen. Alle overige toeren zijn van opaal witte kra-len geregen.

De vijf punten van de lambrequin die de bloemenhanger omgeeft, worden elk afzonderlijk naar de afbeelding op plaat XXVIII Fig. 10 gegeven teekening, vol-gens het onze lezeressen reeds bekende kra-len-mozaïk geregen. De kleuren hiervan zijn bij de verklaring der tekens aan-geduid.

Elke punt van de lambrequin wordt van boven aan de regte kant begon-nen, welke later met den grond van den bloemenhanger verbonden moet worden. Ter versiering hiervan heeft elk dezer punten 14 bogen van gouden gegalva-niseerde kralen, waarvoor men aan elken boog 7 kralen gebruikt.

Dan verbindt men de lambrequin aan den grond van den bloemenhanger door eenen toer kralen (mozaïktoer); vervol-gens bevestigt men een ijzerdraad van bo-ven onder de lambrequin, waardoor men haar tevens de goede ronde vorm geeft. Ter voleindiging van de bloemenhan-

HANDWERKEN EN MODES.

BLOEMENHANGER.

(Kralenwerk). Plaat XXVI.