JEANNE D’ARC. 165
gen slechts eene flaauwe schaduw vertoonden. De toen nog zoo sombere gevels der huizen waren in een oogwenk versierd met groen en bloemen; de vlaggen wapperden, de klokken luidden en het eene gilde voor, het andere na trok op met banier en trompetgeschal, terwijl eenige burgers bezig waren met op de markt eenen met bloemfestoenen omwonden paal in den grond te zetten met de woorden: “hier moet het gedenkteeken staan dat te harer eere zal worden opgerigt!”
“De onschuld heeft gezegevierd!” riep men elkander toe, en bijna op alle hoeken der straten vormden zich groepen om den een of ander die lezen en schrijven kon, en met luider stem uit het zoo even uitgesproken vonnis de woorden voorlas: “Het geheele vroegere proces is nietig en van onwaarde; de twaalf artikelen van beschuldiging zijn valsch en bedriegelijk, de voortbrengselen van geweld en leugen; de veroordeelde is onschuldig en tot in den dood eene regt geloovige Christin ge-weest, vrijgesproken van alle misdaad. Hare verwanten zijn vrij-gesproken van de smet harer teregtstelling.”
Voor het raadhuis drong zich eene onoverzienbare volksme-nigte bijeen rondom eene vrouw, kromgebogen, nog minder door den last van bijna zeventig jaren, dan door veeljarig ziele-lijden. De jubelkreten van alle zijden aangeheven beantwoordde zij slechts met handenwringen en weenen, en met den uitroep, op merg en been doordringenden toon: “Ik heb er mijne ver-moorde dochter niet mede terug!”
De vermoorde – hare nagedachtenis was geregtvaardigd door eene uitspraak, die het einde uitmaakte van een langdurig on-derzoek, op dringend aanzoek van hare betrekkingen bevolen door den ondankbaren, schandelijk ondankbaren koning, die haare zijne kroon en zijn rijk verschuldigd was. Maar daarmede was zij, de gemartelde, niet teruggeroepen in het leven, dat zij onder vreeselijke folteringen, onder de allergrievendste schande had verloren op den brandstapel, zij – de redster van haar vaderland, zij – misschien de allerschoonste vrouwennaam, die in de geschiedenis van alle eeuwen prijkt in onverwelkelijke eer, maar ook tot onuitwischbare schande van hare moorde-naars, met den gevoelloozen koning aan het hoofd, die geene