De Gracieuse 1863 | Page 164

156 OVER EDELGESTEENTEN.

verbanning naar de meest woeste streken van het binnenland, ver-oordeeld. Het oord hunner ballingschap was het rijkste der aarde, iedere rivier stroomde over eene bedding van goud, elke vallei bevatte een onuitputtelijken voorraad diamanten. De on-gelukkigen verzachtten de ellende hunner gevangenschap door de hoop van de eene of andere rijke mijn te ontdekken, die hun vonnis mogelijk zou herroepen. Zij zochten zes jaren lang en ten laatste lachte de fortuin hun toe. Een buitengewone droogte had de bedding der rivier Abaiti, omtrent 90 mijlen ten zuid-westen van Serro de Trio, zigtbaar gemaakt; en terwijl zij hier bezig waren met goud delven, ontdekten zij een diamant van bijna een ons zwaarte. Door vreugde bedwelmd, besloten zij, alle gevaren te trotseren, naar Villa Rica te reizen en zich aan de genade der kroon over te geven. De Gouverneur belegde op het zien van de grootte en den glans des diamants, dadelijk eene vergadering van de bestuurders uit het diamantdistrikt, om zijne waarde te onderzoeken; en toen hij voor echt verklaard werd, zond men hem onverwijld naar Lissabon. Het is onnoo-dig er bij te voegen, dat het bonnis der ontdekkers herroepen werd. Deze steen werd door COSTER van Amsterdam gesneden, en onze lezers zullen zich wel herinneren hem op de Groote Tentoonstelling gezien te hebben. Wij gelooven echter, dat er twee Sterren van het Zuiden moeten bestaan, want wij verna-men van den bewaarder des diamants dat hij aan Mr. HALPHEN hoorde, en zoo wij lust hadden hem te koopen, hem voor 180,000 pd. krijgen konden.

De Koh-i-noor (berg des lichts) is afkomstig uit Indie, waar zijn broeder, de Daria-noor (zee des lichts) onder de Perzische schatten bewaard wordt. Van dezen steen, die oorspronkelijk 186 karaat woog, wordt het eerst melding gemaakt door BABER KHAN, de stichter der Mongoolsche dynastie, in het begin der zestiende eeuw; hij spreekt er van in zijne levensbeschrijving. Zijne allereerste geschiedenis verliest zich in verwarde Indische fabelen. BABER verhaalt ons, dat hij in de veertiende eeuw een oude kroonparel was van den Rajah van Malwah, van wien hij met ALA-ED-DIN in 1304 naar Delhi kwam. Hij viel in 1526 in BABER’S handen, en werd een erfstuk der Mongoolsche dy-