De Gracieuse 1862 | Page 368

liefst en tevens gemakkelijk te vervaar-digen. Men neemt hiervoor 2 cirkelvor-mige kartons van 6½ duim in doorsnede, welke men gelijkmatig met kleine pun-tjes of tandjes uitknipt; de grootte van de puntjes moeten volgens de hier bijge-voegde afbeelding zijn.

Één van deze cirkels wordt met een tapisserie werkje in petit point ge-werkt, versiert. Dit dient voor de bo-venzijde van het boekje; de grootte van het stremin moet 4 duim in doorsnede wezen, daar men nog een onbewerkte rand moet behouden, om op het karton vast te lijmen. De netachtige rand, welke om het borduursel gewerkt wordt, ver-vaardigt men van zeer gelijke gekleurde naai- of koordzijde, die men tusschen de punten door, zoodanig om het karton windt, dat, daar de draden steeds in dezelfde rigting van den eenen punt naar den anderen worden gelegd, naar het midden toe, de gekruiste draden digter op elkander komen. Bij het omwinden dezer draden moet men tevens de bui-tenste rand van het stremin bedekken,

Daar de boezelaars, bij eenvoudige toiletten, - nog altijd gebruikt worden, zullen wij ook daarvan van tijd tot tijd iets nieuws geven, opdat onze abonnées zullen zien dat wij aals in het werk stellen om hun genoegen te geven en zoo doende op de hoogte houden van het-geen er in de modes zoowel als in de handwerken omgaat.

opdat het ophechten niet in het oog loope.

Men windt de draden op deze wijze om de karton-cirkels: slaat de draad van voren naar achteren om den punt heen, zoodat hij weder van voren komt, left hem schuin over het karton, zoodat hij den rand van het stremin slechts even bedekt, slaat hem dan om den punt heen waar hij dan het digtst bij is, en gaat op die zelfde wijze voort tot alle punten bewerkt zijn, waardoor de rand nu een net of tralie-werk van draden verkregen heeft. (Zie de afbeelding.)

Het tweede karton blijft zonder bor-duurwerk, doch de rand wordt even als die van het eerst met eenen rand van draden omwonden. Vervolgens maakt men de beide cirkels met een lintje van dezelfde kleur, als de zijde van den rand, aan elkander, doch hecht ook te-vens de twee ronde flanellen lapjes, welke van binnen in het boekje moeten zijn, om de naalden op te steken, mede vast, na ze vooraf in de rondte te hebben gefestonneerd.

De boezelaars hebben dit jaar meestal van boven aan den band, verschillende vormen, hetzij met een ronden of met een spitschen punt naar onderen, of ook wel een punt naar boven en eene naar be-neden. De wijdte van den band is 26–27 duim. Men haalt het boezelaar in of plooit het op dezelfde wijdte van den band, waarna men het daaraan vastnaait. Aan

80 HANDWERKEN EN MODES.

BOEZELAARS.

(Plaat XXIV, fig. 8.)