De Gracieuse 1862 | Page 366

schaar, de priem, etc. geborgen wor-den, en kluwtjes naaigaren, die aan een dun koordje geregen, op den rug hangen.

Voor het taschje zet men 36 ketting-steken op, en maakt die tot eene ronding; haakt verder 5 toeren stokjes, daarna 2 toeren 1 kettingsteek in den tweeden steek gestoken 1 stokje, en dan 1 toer vaste steken. Voor het bandje zet men 90 kettingsteken op, en werkt dan 1 toer 1 kettingsteek in den tweeden steek

Struts-breikatoen No. 16, haaknaald No. 8.

Men zet hiervoor 9 kettingsteken op en werkt 1 toer vaste steken; men keert bij elken toer het werk om en begint de toer telkens met een kettingsteek, daar de kanten anders zoo ligt intrekken. Daar deze bavette met ribben gewerkt moet worden, neemt men in het vervolg altijd de achterste lus van den steek op. Dan werkt men 17 toeren vaste steken, bij elken toer één steek in den middelsten steek van den toer meerderende; vervolgens nog 43 toeren vaste steken, waarbij men 2 steken in het midden meerdert, zoodat deze laatste toer nu 112 steken telt, waarmede de bavette af is en tot de schouders daarvan wordt overgegaan. De 9 steken van het opzetsel houdt men van onderen.

Om den schouder te beginnen telt men 22 steken van den kant af en

gestoken 1 stokje; waarna men het bandje aan het taschje naait.

Vervolgens laat men een stander van lood maken, waarvan de dikte 2 duim moet wezen; men neemt het lood, hetzij vierkant of rond, naar verkiezing, doch het moet niet grooter zijn, dan door de rok bedekt kan worden; in het mid-den wordt van lood of van hout een stijl gemaakt die tot aan het middel der pop reikt, waaraan men deze van onderen, aan de beenen en om het middel bevestigt.

werkt dan 10 vaste steken, (en daar de schouder even als de bavette met ribben gewerkt wordt, moet men ook hier in de achterste lus insteken); werkt vervolgens nog 55 toeren vaste steken, en laat een eind van den draad er bij hangen, om later de schouder aan de bavette te bevestigen. Aan de andere zijde werkt men evenzoo.

Men bevestigt nu den draad van bo-ven op zijde aan de bavette, en werkt aan beide zijden als ook van onderen, steeds met ribben, 4 toeren vaste steken, doch bij elken toer meerdert men van onderen aan de beide hoeken telkens 2 steken. Vervolgens 1 toer 2 ketting-steken, in den derden steek gestoken 2 stokjes; – doch van onderen aan den punt steekt men de stokjes in den tweeden steek in; dan weder 1 toer, 2 ketting-steken, in de opening 2 stokjes gesto-ken, en eindelijk nog 3 toeren vaste steken er omheen, waarbij men weder van

78 HANDWERKEN EN MODES.

BAVETTE.

(Haakwerk.)