MODES.
Onder den zonderlingen naam van “loup” geeft de mode ons eene nieuwe soort van voile of sluijer aan, die in plaats van loshangend en fladderend, zooals wij ons tot hiertoe dit kleedingstuk steeds voorstelden onder de kin bijeengetrokken gedragen wordt. Daar zich dit fatsoen bijzonder eigent voor den winter, zal men dra de wandelende dames met gesloten vizier zien verschijnen. Wij geven op de groote plaat eene verkleinde voorstelling van den sluijer, die het namaken zeer gemakkelijk maakt. Het fond wordt uit gebrocheerde zijden tulle geknipt; deze wordt in de rondte omzet met een smal tusschenzetsel (circa een duim breed) dat tot opname der trekbanden dient; daarna wordt het geheel omzet met eene 4–7 duim breede zwarte kant. Elke zijde van den sluijer heeft een afzonderlij- ken band; door het bovengedeelte dat om den hoed gelegd wordt trekt men een band welks einden aan de zijhoeken uitkomen en onder de kin toegebonden worden. De beide banden die aan de benedenpunt uitkomen en aan de zijhoeken bevestigd zijn, dien om het over het gelaat hangende gedeelte van den sluijer onder de kin bijeen te trekken.
Als eene groote verbetering op het gebied der crinoline geven wij onze lezeressen dan raad om het benedengedeelte daarvan namelijk de twaalf onderste rijen staalbanden te bekleeden op de volgende wijs. Men kiest eene gestreepte stevige wollen stof, neemt daarvan de dubbele wijdte der crinoline en zet die met