die men van m tot † en van † tot * opzet. De soutache rand van de mouw wordt van boven bij de revers begonnen tot aan den elleboogsnaad, van waar
Benoodigdheden: karmozijnroode, wit-te, zwarte en gele koordzijde, witte taf en een rond stalen knipje.
Dit beursje is vrij gemakkelijk te ma-ken doch vereischt juistheid en vooral ge-lijk en vast haken; de haaknaald moet vooral niet te grof wezen. Men werkt spiraalvormig; van onderen, in het mid-den beginnende, en doorgaande met vaste steken, waarbij men in de achterste lus van den steek van den vorigen toer steekt.
Men zet met de zwarte zijde 3 of 4 steken op en verbindt die tot eene ron-ding; dan werkt men nog 5 toeren vaste steken, waarbij men zooveel steken meerdert, dat er bij het einde van dien toer 38 steken zijn, doch men zorge vooral, dat het eene vlakke rondte blijve. Dan werkt men 1 toer met gele zijde en meerdert in deze toer 5 steken; vervolgens 1 toer met zwart zijde, waarbij men 3 steken meerdert. Dan nog 1 toer met gele zijde en 4 steken meer-deren, zoodat men nu bij het einde van dien toer 50 steken in de rondte heeft. Met dezen toer is de ronde vlakte, welke zich in het midden bevindt af, en nu gaan wij over tot het overige gedeelte der beurs, dat in puntige plooijen om het midden wordt gehaakt. Aan den laatst gewerkten gelen steek knoopt men de roode
hij doorloopt tot van boven aan de mouw. Bij het inzetten van de mouw in het armsgat moet de n aan de n van het voorstuk komen.
zijde en haakt in den eersten toer re-gelmatig afwisselend in den eenen steek 1 vasten steek, dan 1 kettingsteek en in den volgenden steek 2 vaste steken. De twee-de toer haakt men op elken vasten steek 1 vaste steek, doch op den kettingsteek van den vorigen toer 2 vaste steken, dan 1 ket-tingsteek, zoodat er in dezen toer 5 vaste steken en 1 kettingsteek zijn. De meerde-ring wordt bij elken toer op dezelfde plaats gezet, (altijd in den kettingsteek) zoodat er bij den zevenden toer 15 vaste steken en 1 kettingsteek gewerkt worden.
Met den 8sten toer begint men tusschen de twee meerderingen eene mindering te maken, door d emiddelste steken over te slaan; zoodat men na den kettingsteek 7 vaste steken haakt, dan 3 steken over-slaat, vervolgens 5 vaste steken, twee vaste steken op den volgenden ketting-steek en daarna weder een kettingsteek.
Door het regelmatig op dezelfde plaats voortzetten der meerderingen en minde-ringen, vormen zij in deze beurs zeer zigtbare punten of plooijen. In den 9den en alle volgende toeren slaat men gestadig 2 steken over in plaats van 3, terwijl men tusschen den kettingsteek en de mindering telkens 7 vaste steken werkt, even als bij den achtsten toer.
De 9de toer wordt met gele, de 10de met zwarte en de 11de toer weder met gele
66 HANDWERKEN EN MODES.
DAMES BEURS.
(Haakwerk).