De Gracieuse 1862 | Page 351

van den toer 1 aver., in plaats van 3 aver.

3de toer. 1 aver. *, 3 aver. te zamen, 3 aver., omsl., 1 aver., omsl., 3 aver. *, herhaal van * tot *, aan het einde 2 in plaats van 3 aver.

4de toer. 3 aver. te zamen, 3 aver., omsl., 1 aver., omsl., 3 aver.

5de toer. Omsl., 1 aver., omsl., 3 aver., 3 aver. te zamen, 3 aver.

6de toer. 1 aver. *, omsl., 1 aver., omsl., 3 aver., 3 aver. te zamen, 3 aver. *, herhaal van * tot *, aan het einde 2 in plaats van 3 aver.

7de toer. 2 aver. *; omsl., 1 aver., omsl., 3 aver., 3 aver. te zamen, 3 aver. *, herhaal van * tot *, aan het einde 1 in plaats van 3 aver.

Men herhaalt nog 5 maal van den eersten tot den zevenden toer, doch laat bij den laatsten toer het omslaan weg, zoodat er dan 168 steken in den toer zijn, vervolgens breidt men nog 1 toer aver., waarna de ster begonnen wordt.

Zwijnskopgaren No. 100, haaknaald No. 2.

Dit werk wordt van eene zijde (nog al stijf) gehaakt en bestaat uit twee toeren.

1ste toer. 7 kettingsteken, * in den vijfden steek gestoken, 1 vaste steek, 6 kettingsteken, in den vijfden steek gestoken, 1 vaste steek, 8 kettingsteken in den vijfden steek gestoken, 1 vaste steek, 6 kettingsteken, in den vijfden steek gestoken, 1 vaste steek, 1 ket-tingsteek, 1 vaste steek op den eersten kettingsteek, waarmede men is begonnen,

Ster.

1ste toer. 21 regt, omsl. Herhaal dit nog 7 maal.

2de toer. Overh., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., omsl. Herhaal dit nog 7 maal.

3de toer. Overh., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 verdr., 1 aver., 1 regt.

Men herhaalt beurtelings den tweeden en derden toer, totdat men 8 steken heeft overgehouden, men kant deze 8 steken af, en zet van boven een kwastje er op. Het afminderen der ster geschiedt om den anderen toer, zoodat men bij het breijen zal zien, dat er telkens om den anderen toer een steek minder bij elke punt der ster komt.

14 kettingsteken *. Men herhaalt van * tot * tot dat men de noodige lengte heeftl doch in plaats van aan het einde van het eerste figuurtje op den eersten kettingsteek 1 vasten steek te werken, maakt men in het vervolg den vasten steek op den achtsten kettingsteek.

2de toer. 1 losse steek op den middel-sten of tweeden kettingsteek, tusschen het tweede en derde puntje van het figuurtje, dan 7 kettingsteken; zoo de geheele toer. (De losse steek hebben wij reeds in ons vorige nommer beschreven.

HANDWERKEN EN MODES. 63

ENTREDEUX VOOR KRAGEN.

(Haakwerk).