42 HANDWERKEN EN MODES.
Het korte wit zijden dofmouwtje heeft hetzelfde garneersel als de berthe.
Op den rok zijn fluweelen lussen geschikt op bevallige hoogte aangebragt; elke lus loopt uit in een strik van rood fluweel waarvan de slippen afhangen op de twee eerste rijen der zwart tullen plooisels, die dan rand van den rok versieren.
Wandelkleeding. – Grenaatkleurig fluweelen hoed; aan de regterzijde is eene fraaije witte kant geplooid die als voilette aan de linkerzijde afhangt. Voorts een garneersel van witte ve-deren, tullen ruche, kanten belegsel van de bavolot en satijnen banden.
Fluweelen japon met strepen van donkerder kleur en omzet met marterbont. Glad lijf met kleine punt; elleboogs-mouwen en een marter omzetsel langs den hals. Dit daalt langs het lijf af en loopt van de ceinture uit in ronden tablier die voortge- zet wordt op den rok, op tien duim afstands van den rand der rok.
De overblijvende ruimte tusschen den tablier en het onderste gedeelte van den rok onder het bonten omzetsel is gegarneerd met fluweelen strepen van donkerder schakering. De mouw is rond de hand en oploopend tot aan den elleboog met bont bezet.
Meisje van zes à zeven jaren. – Zeemanshoedje van zwart fluweel met witte veêr.
Mantel van zwart fluweel, met sluitend lijf. Dubbele mouw, waarvan de onderste glad en gesloten is, de bovenste van on- der tot boven openvalt. Op elken schouder een rond garneersel, epaulette Medicis. Dit kleedingstuk is geheel omboord en belegd met een smal zwart zijden galon.
Taffen jurkje.
Hooge sterk sluitende slopkousen van zwart laken.
Zwart verlakte schoenen.