het moesje onbewerkt, maar de vaste steek welke men achter de stokjes van den vorigen toer heeft laten liggen werkt men nu mede; vervolgens weder twee vaste steken in den laatsten steek.
21ste toer. 1 kettingsteek; twee vaste steken in den eersten steek; den 41 vaste steken; en weder twee vaste ste-ken in den laatsten steek.
22ste toer. 1 kettingsteek, twee vaste steken in den eersten steek; 43 vaste steken, twee vaste steken in den laat-sten steek.
23ste toer. 1 kettingsteek, twee vaste steken in den eersten steek; 19 vaste steken; 4 stokjes in den 19den steek van den 21sten toer; in den tweeden steek gestoken 5 vaste steken, dan weder 4 stokjes in den 25sten steek van den 21sten toer; vervolgens in den tweeden steek gestoken 19 vaste steken; en twee vaste steken in den laatsten steek.
24ste toer. 1 kettingsteek, twee vaste steken in den eersten steek, dan 47 vaste steken en in den laatsten steek twee vaste steken; wanneer men de toer met de moesjes overhaakt laat men altijd even als bij den 20sten toer de 4 stokjes on-bewerkt, en de vaste steek welke men heeft laten liggen wordt dan medege-werkt.
25ste toer. 1 kettingsteek, twee vaste steken in den eersten steek; dan 49 vaste steken, en in den laatsten twee vaste steken.
Daar wij het beschrijven van elken toer overbodig achten, willen wij met weinig woorden de verdere bewerking melden. Bij elke toer meerdert men aan het be-ging en einde één steek, zoodat men bij de 38ste toer 79 steken heeft, talkens wanneer men 3 toeren over het moesje
gewerkt heeft, moet men weder een toer met moesjes maken; daar zij regelmatig verzet moeten worden, begint men het eerste moesje van den toer altijd 3 steken vóór het moesje dat men den vorigen keer heeft gewerkt, en tusschen elk moesje dat men maakt moeten 5 vaste steken zijn, even als tusschen de twee moesjes van den 23sten toer, zoo gaat men voort totdat er eerst een toer met drie, dan met vier en vervolgens met vijf moesjes zijn.
Als men de 38ste toer gewerkt heeft, is de ruit breed genoeg en moet dan weder afgeminderd worden.
De 39ste toer werkt men aldus: in den tweeden steek gestoken 23 vaste steken, dan maakt men 6 moesjes, werkt weder 23 vaste steken en laat den laatsten steek onbewerkt.
Op deze wijze maakt men de ruit af, bij elke toer aan het begin en einde één steek minderende, totdat men aan het einde even als aan het begin der ruit 5 steken heeft. Met het afminderen be-grijpt men van zelve dat de moesjes nu ook verminderd moeten worden: eerst werkt men een toer met 5, dan 4, dan 3, dan 2 en vervolgens met 1 moesje.
Wanneer de ruit af is werkt men om het geheele vierkant een toer van 2 ket-tingsteken en 1 stokje op elke ribbe, doch bij het begin en einde der ruit, waar men 5 steken heeft, werkt men op den eersten, derden en vijfden steek 1 stokje met twee kettingsteken er tus-schen.
De ruiten worden door een toer vaste steken aan elkander gezet.
Als de ruiten aan elkander zijn blij-ven er aan de kanten hoeken over, die met halve ruiten worden gelijk gemaakt.
HANDWERKEN EN MODES. 39