toer altijd door van de linker naar de regterhand omdat de lingertjes over elkander moeten hangen); dan rijgt men weder 6 glaskralen, 4 gouden kralen en 6 glaskralen aan en steekt door de eerste glaskraal die zich achter de spie-gelparel bevindt, heen. Zoo vervolgt
Gaas No. 4, strooranden, zwarte, bruinachtig-roode, ponceau en blaauw-groene terneau wol, korenblaauwe filo-selle, dikke zwarte en roode koordzijde, rood wollen band, 2 Ned. dm. breed, bruin wasdoek of amerikaansch leder.
Het kleedje dat wij onze lezeressen ter vervaardiging voorstellen, is zeer aangenaam en gemakkelijk te maken. Het wordt op gaas gewerkt terwijl de grootte naar goedvinden wordt bepaald.
De plaat toont aan op welke wijze de strooranden op het gaas gelegd moeten worden, namelijk met ruiten. Deze randen moeten zoo breed zijn dat zij 5 kruisjes van het gaas bedekken. Zij worden 8 kruisjes van elkander ge-legd en op het gaas vastgehecht, zoo-dat tusschen elke ruit welke nu nog onbewerkt is, 8 kruisjes in het vierkant open zijn gebleven.
Dáár waar de strooranden over el-kander liggen, werkt men er met dikke zwarte koordzijde eene schuine kruis-steek over; deze steek wordt weder in met midden gehecht met eene regte
men alle punten langs, doch daar waar de punt het langst is, dus bij de laatst geregen spiegelparel van elke punt, rijgt men in plaats van zes 9 glaskralen 1 gouden of spiegelparel en 9 glaskralen aan. dan verkrijgt men 11 kleine en 1 groote slinger aan elke punt.
kruissteek van roode koordzijde. (In plaats van zwarte koordzijde kan men ook zwart koord of soutache gebruiken).
Het stroo nu op het gaas gehecht, zijnde, gaan wij over tot het werken der opene ruiten.
Deze worden met lange regte steken bedekt, (de steken zijn 8 kruisjes lang) zooals de afbeelding aanduidt.
Om deze ruiten te vullen worden de kleuren zoo geschikt dat zij schuine rijen vormen, zoodat men eerst een rij bruin-roode-, dan groene-, vervolgens ponceau-wol en dan een rij blaauwe filoselle heeft. Alle gekleurde ruiten welke tusschen de strooranden gewerkt zijn, worden in het vierkant, langs de randen met eenen langen steek van zwarte wol ingesloten.
Hiermede is het werk af, maar het moet nog gevoerd en met een plooisel er om heen voorzien worden.
Wanneer zulk een kleedje gebruikt wordt om onder een schotel of iets dat warm is te leggen, dan raden wij bruin wasdoek of amerikaansch leder aan om het mede te voeren, daar dit
HANDWERKEN EN MODES. 3
KLEEDJE ONDER SCHOTELS ENZ.
(Tapisseriewerk). Plaat I, fig. 2.