Gordijnkoord, bruine terneau wol, spiegelpaarlen, tusschen-grootte, ver-gulde paarlen van dezelfde grootte, glaskralen No. 5, gouden kralen No. 7, haaknaald No. 9.
1ste toer. Men haakt met de bruine wol 48 vaste steken over het gordijn-koord heen en verbindt het tot eene ronding.
2de toer. 3 vaste steken, in den vol-genden steek 2 vaste steken in één steek gestoken. Herhaal dit nog 11 maal.
3de toer. 4 vaste steken, in den vol-genden steek 2 vaste steken in één steek gestoken. Heraal dit nog 11 maal.
4de toer. 11 vaste steken, in den volgenden steek 2 vaste steken in één steek gestoken. Heraal dit nog 5 maal.
5de toer. 10 vaste steken, in den volgenden steek 2 vaste steken in één steek gestoken. Heraal dit nog 6 maal.
6de toer. 11 vaste steken, in den volgenden steek 2 vaste steken in één steek gestoken. Heraal dit nog 6 maal.
7de toer. 12 vaste steken, in den vol-genden steek 2 vaste steken in één steek gestoken. Heraal dit nog 7 maal.
Men knipt het koord en de wol af en bevestigd de einden aan de achter-zijde van het gehaakte.
Nu neemt men wit garen en hecht het van boven waar de bobêche begon-nen is, aan. Men rijgt 3 glaskralen, 4 gouden kralen en nog eens 3 glaskralen aan den draad, en haalt deze 5 of 6 steken verder door; vervolgens steekt men twee steken voorbij die waar men begonnen is weder in, rijgt weder 3 glaskralen, 4 gouden kralen en 3 glaskralen aan, steekt weder 5 of 6 steken verder in, en zoo vervolgens tot dat men 15 van die kleine slinger-tjes van boven aan de bobêche heeft.
Dan hecht men in de rondte, onder die slingertjes, in gelijke verdeeling, 10 spie-gelpaarlen, rijgt dan om elk een reekje glaskralen heen, zoodat de spiegelparel zich in het midden bevindt.
Vervolgens hecht men de draad
HANDWERKEN EN MODES.
BOBÈCHE.
(Haakwerk). Plaat I, fig. 1.