CONSTANCE CHORLEY.
XI.
CONSTANCE kon niet nalaten den zucht van verligting te be-antwoorden, dien REBECCA slaakte toen zij de zwarte roestige ketting voor de deur slingerde. DUKE was reeds met het hoofd op haar schouder ingeslapen en hare eigen oogleden begonnen zoo zwaar te worden, terwijl zij REBECCA’S schichtige onbeval-lige bewegingen door de kamer bespiedde en een gelegenheid zocht om te vragen of zij naar bed konden gaan. Weinig be-vroedde zij dat die oogen zich voor den slaap niet zouden slui- ten eer haar nog bitterder beproeving was opgelegd dan hare reis tot hiertoe had opgeleverd.
Toen zij haar werk geëindigd had nam “het kind” een laag stoeltje en zette zich vlak voor het vuur tusschen de kinderen en moeder CATLIN; en met gekruiste armen en zaamgetrokken wenkbraauwen staarde zij zoo wraakzuchtig en vergramd in de glimmende kolen, dat het CONSTANCE scheen of ook zij eenigen bitteren wrok tegen het gevaarlijke element had, een wrok even bitter welligt als zij zelve gevoelde. Op die wijs waren de ge-dachten van het meisje als onwillekeurig afgewaald naar het oude duistere kanaal; zij was te slaperig om ze spoedig terug te brengen, en zoo woelden en warden zij in haar brein, met eene droomerige tooverkracht toevende nu eens bij de eene dan bij de andere schrikkelijke herinnering, totdat haar alles dui- zelde en als in eenen nevel scheen gehuld. Het vuur danste op