168 JADY JAN GRAY.
In het eerst ontmoette EDUARD tegenstand, doch gelijk ge-woonlijk in zulke gevallen, men gaf weldra toe en op den 21sten Junij werd het dokument dat de troonsopvolging veran-derde door de lords van den raad en de meeste regtsgeleerden en regters van de kroon onderteekend. De Tower werd aan een volgeling van NORTHUMBERLAND overgegeven, de bezetting ver-sterkt en door den raad aan prinses MARIA geschreven dat zij oogenblikkelijk naar Londen moest komen. Zij was voornemens dat te doen en dus in den Tower eene gevangenis te vinden, maar te regter tijde gewaarschuwd, keerde zij naar hare wo- ning in Norfolk terug.
Van dat alles wist lady JANE GRAY niets. Zij had verlof ver-zocht en verkregen, om eenige dagen verre van het hof in Chelsea te mogen doorbrengen. Op den 9den Julij ontving zij door eene harer schoonzusters het bevel van den raad om oogen-blikkelijk naar Sionhouse terug te keeren en daar de bevelen des konings af te wachten. EDUARD was reeds op den 6den Julij te Greenwich gestorven, maar zijn dood was nog een diep ge-heim, en slechts lady MARIA was er in het geheim mede bekend gemaakt. De niets kwaads vermoedende lady JANE die niet be-greep wat de raad en de koning van haar begeerden, gehoor-zaamde, en zag op den volgenden morgen met groote verwon-dering haren schoonvader, den markies VAN NORTHAMPTON en de graven VAN ARUNDEL, HUNTINGDON en PEMBROKE met een groot en schitterend gevolg op Sionhouse verschijnen. Zij spra- ken met haar over onbeteekenende dingen, maar tevens met eenen eerbied die haar onverklaarbaar was en juist daarom haar verontrustte. Weldra kwam ook hare schoonmoeder benevens de hertogin VAN SUFFOLK en de markiezin van NORTHAMPTON binnen en nu verkondigde NORTHUMBERLAND aan lady JANE: haar neef was dood en zij zijne erfgename.
De lords knielden neder, begroetten haar als koningin en zwoeren hun bloed voor haar te willen vergieten. Dat tooneel was te verrassend voor de teedere vrouw, zij viel in flaauwte.
Weder tot zich zelve gekomen onderwierp zij zich aan de noodzakelijkheid koningin te zijn. Voor een geluk hield zij de kroon niet; nooit hadden hare wenschen den weg naar den