De Gracieuse 1 August 1865 | Page 2

Kleedje “bandine” voor

jonge meisjes.

Afb. No. 2 en 3. Knippatr., keerz. v. h.

Suppl. No. II, Fig. 10―19.

Het hiernevens afgebeelde model heeft zoowel

in den vorm als wat het garnituur betreft iets

zeer eigendommelijks, beantwoordt alzoo aan het

streven naar wat men “origineel” noemt en is bij-

zonder geschikt voor tengere figuurtjes van jonge meis-

jes. Het kleedje ― ons model is vervaardigd van popeline

van eene geelachtig-grijze kleur ― heeft een nauwsluitende

taille met schoot, met een breed ceintuur er over heen, het

is gegarneerd met lussen en pattes, die van voren en op den

rug een lijfje nabootsen; van boven zijn zij aldaar door eene dwarse

lus verbonden, zij loopen over den schouder heen en op de voor-

stukken zoodanig voort dat deze zich als een jaquetje, dat van voren

open is en zich op een glad lijf bevindt, vertoonen; met dergelijke pattes

zijn de mouwen van boven, maar van onderen aan den rand, met breede

revers versierd.

Dit garnituur van pattes krijgt iets zeer bijzonders door meer dan een boord-

seltje van donkerbruine taf dat er omheen loopt, en door knoopen, franje en gre-

lots van dezelfde kleur. Naar elk der figuren 10―15 en naar fig. 18 worden eerst

twee gelijke gedeelten geknipt, zoowel van bovenstof als van voering, naar fig. 17 voor

elke mouw twee gedeelten gesneden; de afwijkende lijnen geven den vorm van het onderste

gedeelte; verder voor het garnituur van de pattes naar fig. 15 drie en naar fig. 19 zes ge-

lijke stukken; bovendien moet men voor de lussen aan den voorkant drie stukken aaneenknippen, die elk gelijkmatig en wel

telkens twee duim in grootte afnemen. Hierna legt men in fig. 10 de borstplooien van punt aan punt

tot ster, zet er langs den rand van voren een reep der bovenstof 3 d.

breed tegen, maakt er zooals wij dit

hebben voorgeteekend knoops-

gaten in, zet er knoopen

op en ook tusschen de

drie onderste knoopsga-

ten ― tot aan de on-

derste der beide lij-

nen voor het opzet-

ten van de cein-tuur ― haken en oogen om de taille beter te kunnen sluiten. Deze wordt langs de naden met korte

dunne baleintjes voorzien. Nu naait men de twee stukken van den rug en nadat fig. 11 langs den rond geknipten buitenrand, fig. 13 van ster tot L geboord zijn, naar de overeenstemmende letters en tee-kens op de knippatronen al de gedeelten van de taille aaneen, waarbij de rug fig. 14 van C tot kruis een weinig moet worden ingehaald; tegen den rand van onderen wordt een reep der bovenstof onge-veer 3 d. breed gezet. als de beide gedeelten van elke mouw van

N tot O en van P tot Q aan elkaar zijn verbonden, dan zet men

tegen den rand van onderen een reep der bovenstof ongeveer 4 d. breed, en voorziet haar aldaar met de revers, die alvorens van P

tot ster aaneengenaaid en met het belegsel is voorzien. Hiervoor wordt een reep der bovenstof 1½ d. breed en zoo lang als het pa-

troon dit aangeeft gesneden, aan de beide lange zijden met een reepje bruine taf een stroohalm breed geboord en dan op de revers gelegd, waarbij men het knippatroon en de afbeelding moet raadplegen. De tot dusverre voltooide mouw wordt daarna met een ingeregen koordje er tusschen in het armsgat genaaid, en aan den rand van boven met de pattes die men naar fig. 19 knipt, versierd. Op elk dezer pattes wordt eerst in het midden een reep der stof

2 d. breed en aan beide zijden eveneens met een reepje der stof geboord gelegd, daarna wordt zij in de rondte geboord en aan het eind van onderen met een knoop, een grelot en eene franje 6 d.

lang voorzien; verder legt men er aan de bovenzijde eene plooi in door kruis op punt te hechten; eindelijk wordt de patte op de plaats met een knoop ge-teekend, met een steekje op de mouw vastgenaaid, dat door den tweeden knoop dien men er op aanbrengt, bedekt wordt. Nu moet het overige pattengarnituur nog worden uitgevoerd. eerst vervaardigt men de drie pattes voor den rug naar

Fig. 15, door die, behalve de plooien eveneens als de pattes voor de mouwen in elkaar te voegen, waarna ze volgens de knippatronen en de afbeelding over de dwarse lus die op dezelfde wijze uit twee reepen der stof is samengesteld en waarvan de plaats op Fig. 14 is aan-gewezen, op den rug worden gelegd. De pattes die zich aan de zijkanten bevin-den, moeten met L, M en D op de-

zelfde letters op den rug en het zijpand met een steekje worden vastgehecht, ter-wijl de middelste patte juist op den naad van den rug valt. De eerste van de pattes op zijde sluit zich aan het belegsel dat aan den schoudernaad beginnende op Fig. 11 en 13 is aangeduid aan; dit belegsel

is ook aan beide zijden geboord, en be-dekt met de helft van de breedte het gedeelte van Fig. 11 en 13 waarmede

die op de onderste stukken zijn beves-tigd. Eindelijk wordt de ceintuur die even als de pattes van den rug is geboord, hoewel de einden recht blijven, naar aan-wijzing van Fig. 10 op de taille gehecht en eindelijk zoo als dit mede op het knip-patroon is voorgeteekend, elk der lussen aan de voorzijde aan de einden met een knoop op het rechter voorstuk beves-tigd, aan het andere eind zet men er

een haak aan en op de daarmede over-eenkomende plaats op het linker voor-stuk, een lus. Door de afbeelding her-haalde malen te raadplegen zal men zich bij het vervaardigen van het garnituur

veel gemak verschaffen.

Gebreide doek.

Afb. No. 4―6. Florawol 3 of 3½ lood.

Zoowel voor fichu als capuchon, zal zal

138 DE GRACIEUSE. [1 Augustus 1865. 3e Jaargang.]

deze gemakkelijke en voegzame doek, de

goedkeuring van onze lezeressen wegdragen.

Hij is volgens ons origineel van ponceau

florawol gebreid, doch zal van twee kleu-

ren, b. v. een wit fond met een zwarten of

gekleurden rand, als ook een zwart fond met

een lichten rand, met den tegenwoordigen smaak

beter overeenkomen.

Wij geven benevens een verkleind voorgesteld geheel

van den doek, nog een gedeelte van den fond en van

den rand in oorspronkelijke grootte, waarvan de afb. tevens

tot maatstaf voor de grofte van de naalden kan dienen.

De rand is in 4 afzonderlijke gedeelten aan beide einden schuin

afloopende gebreid en vervolgens aan de schuine dwarszijden aan

elkander genaaid. Voor elk gedeelte van den rand worden zeer los

192 steken opgezet.

1ste toer. 1 recht, * omslaan; 4 maal na elkander minderen, 6 maal

omslaan, telkens met 1 steek recht er tusschen; nadat men voor de 6de

maal heeft omgeslagen, weder 3 maal na elkander minderen. Van * af nog

9 maal herhalen; de laatste steek wordt recht gebreid.

2de toer. Geheel recht, elk omslag wordt als 1 steek gebreid.

3de toer. 1 r., omsl., mind., (bij het minderen hiervan moet de eerste steek de

omgeslagen draad wezen), dan 2 maal mind., (deze beide laatste minderingen worden

voor het schuin afloopen van den rand vereischt): 1 r., * omsl., mind., 17 r. Van *

af herhalen. Aan het einde mindert men voor het schuin afloopen, evenals aan het begin.

4de toer. Recht.

Men herhaalt deze 4 toeren nog 5 maal

en schuint daarbij de einden zoodanig af,

dat met den laatsten, den 24sten toer, de

steken van de eerste en laatste punt tot op 1 of 2

steken na genomen zijn. Dan volgt er 1 toer afwis-

selend, omsl., mind.; vervolgens 1

toer recht, waarna men los afkant;

dit geschiedt echter bij 3 strepen

van den rand, bij de 4de be-

houdt men de steken op de

naald en breit weder, eerst

2 toeren recht, dan de

streep die den rand

van den fond af-

scheidt. Er wordt

van hier af aan de

rechte zijde gedu-rig rechts, op

de verkeerde zijde

averechts ge-

minderd.

1ste toer van

de tusschenstreep. (Rechte zijde). 3 r., dan afwisselend omsl.,

mind. De laatste 3 steken van den toer worden, nadat men heeft

omgeslagen, recht gebreid.

2de toer. 2 aver., * aver. Mind. (namelijk de 3de steek van de

steken van den rand met de daarachter liggende omgeslagen draad); omsl. Van * af herhalen en de 3 laatste steken averechts

breien.

3de toer. Als de eerste toer, men breit bij het minderen gedu-

rig den steek met den daarvoor liggenden draad te zamen. Na

de laatste mindering breit men zonder omslaan 2 r.

4de toer. Als de 2de toer.

5de toer. In dezen toer keert het à jour patroon, zoodat de

open streepen zich tot punten vormen; men breit dus: 2 r.,

* mind., omsl. Van * af herhalen. Aan het einde na het laatste

omsl., 3 r.

6de toer. 3 aver., * omsl., mind. Van * af herhalen, aan het

einde 2 aver.

7de toer. Als de 5de toer.

8ste toer. Als de 6de toer.

Bij den 9den toer begint de fond,

doch het gepunte patroon (de tusschen-streep) wordt aan het begin en einde met 11 steken voortgezet, waarbij men gedurig van den 1sten tot den 8sten toer

voort breit.

9de toer. 3 r., * omsl., mind. Van

* af nog 3 maal herhalen, dan 115

steken r., waarna er nog 11 steken moeten overblijven, deze breit men:

† omsl., mind. Van † af 3 maal herha-

len, dan 2 recht.

Wij bepalen nu alleen onze beschrij-ving op het middenpatroon van den fond, waarvoor wij 113 steken rekenen, zoodat aan elke zijde nog 1 steek aan

de gepunte streep recht gebreid moet worden. Het gepunte patroon keert zich bij elken 4den toer op de beschreven

wijze.

10de toer. De 113 steken recht.

11de toer. 4 r., * omsl., mind., 6

recht. Van * af nog 12 maal herhalen,

dan omsl., mind., 3 recht.

12de toer. Verkeerde zijde). 2 aver., mind., * omsl., 1 aver., omsl., mind.,

3 aver., mind. Van * af nog 12 maal herhalen, dan omsl., 1 aver., omsl.,

mind., 2 aver.

13de toer. 1 r., mind., * omsl., 3

r., omsl., mind., 1 r., mind. Van * af herhalen, het einde van den toer is even

als het begin.

14de toer. Mind., * omsl., 2 aver., omsl., mind., 1 aver., omsl., 3 aver.

te zamen breien. Van * af herhalen.

15de toer. 2 r., * omsl.; mind., 1 r., mind., omsl.; 3 r. Van * af herhalen.

16de toer. 3 aver., * omsl., 3 aver.

te zamen breien, omsl., 2 aver., omsl.,

mind., 1 aver. Van * af herhalen.

17de toer. 1 r., mind., * omsl., 3

r., omsl., mind., 1 r., mind. Van * af

herhalen.

Bij de keus der kleuren van ver-

schillende kleedingstukken herinneren

wij aan het gezegde van Johnson, dat

in ons oog als de grootste lofspraak

geldt, “ik ben zeker dat zij goed ge-

kleed was, want ik herinner mij niet

meer wat zij aan had.”

No. 5. Gedeelte van den fond voor den gebreiden

doek. Oorspronkelijke grootte.

No. 8. Gehaakte kant.

No. 9. Gehaakte salade-schudder.

No. 6. Gedeelte van den rand voor den gebreiden goek. Oorspronkelijke grootte.

No. 7. Gehaakte kant.

No. 4. Gebreide doek.