Digital publication | Page 34

BENNY NEYMAN:

HIJ WEET NIET HOE , HIJ WEET NIET HOE

TEKST: JACQUES KLÖTERS

Dat wist hij, en dat deed hem goed. Hij hoorde mijn stem iedere zondagochtend op de radio en zei dat hij het gevoel had dat hij me kon vertrouwen. Waarom dat belangrijk was? Hij zat in een lastig parket en wilde praten met iemand die buiten zijn carrière stond, maar het vak wel kende — iemand die hij kon vertrouwen.

“Al mijn oud-leerlingen hebben recht op nog één laatste gratis steunles,” zei ik, half als grap. “Jacques,” zei Benny, “ik sta binnenkort in Koninklijk Theater Carré. Dat zou het hoogtepunt van mijn carrière moeten zijn, maar het voelt als een dieptepunt. Daar wil ik het met je over hebben.”

Het was een zonnige voorjaarsdag. Ik besloot naar onze afspraak te lopen. 'Waarom Fluister Ik Je Naam Nog', zong het in mijn hoofd.

Alles wat ik zag was me vertrouwd. De hoekhuizen aan de Apollolaan waren in mijn jeugd nog ruïnes geweest. In de oorlog waren daar bommen gevallen, toen het hoofdkwartier van de Gestapo werd gebombardeerd in wat nu de Gerrit van der Veenstraat heet.

Zou Benny me na vijfentwintig jaar ook nog vertrouwd zijn? Wat wist ik eigenlijk van hem? Hij was een jaar of vijf jonger dan ik, een verlegen jongen uit Maastricht, die het in het begin moeilijk had in Amsterdam. Het gistte op straat, het broeide in de toneelwereld. In het Concertgebouw klonk geratel en gejoel, en op de Kleinkunstakademie gaf Jack Bow tapdanceles.

Ik was net begonnen als leraar toen een hele klas van school werd gestuurd omdat ze onderwijsveranderingen eisten. Eén leerling mocht blijven: een jongen uit Maastricht, met een prettige zangstem en geen belangstelling voor revolutie. Benny. Toen ik op weg naar mijn afspraak het verzetsmonument aan de Apollolaan passeerde, zag ik dat men druk bezig was met vegen en boenen. Binnenkort zouden we daar weer in stilte staan. Oude mannen in blauwe overalls, met hun stenguns. De man van de organisatie. De geleerde spreker. Wij, met onze hoeden en keppeltjes en onze merkwaardige ontroering om iets waar we zelf niet bij waren geweest.

Eén leerling in de klas. Ik was zijn repertoiredocent. “Wat wil je worden?” vroeg ik. “Wat voor repertoire zullen we zoeken?” “Ik wil schlagerzanger worden,” zei hij. Mijn jaar werd op slag somber. Van schlagers had ik namelijk totaal geen verstand. “Ik hou vooral van Duitse schlagers,” voegde hij eraan toe. Hij bedoelde daarmee niet het werk van Bertolt Brecht en Kurt Weill, waar ik goed in thuis was. Ook niet de liederen van Wolf Biermann, die onder huisarrest zat in de Chausseestraße in Berlijn. En al helemaal niet de linkse Duitse Liedermacher, die juist in opkomst waren en waar ik veel in zag.

NEE: SCHLAGERSSÄNGER, STIMMUNG

Ik dacht met lichte afschuw aan Heino en Heintje. Maar toen stuitte ik op Reinhard Mey misschien een brug naar een ander repertoire, een beginpunt. Dat bleek een schot in de roos. Benny was enthousiast en kwam zelf met Stephan Sulke aanzetten. Daarna gingen we op zoek naar Franse chansonniers die bij hem pasten: Georges Moustaki en Joe Dassin.

Ik moest aan Benny Neyman denken. Hij belde me ooit op. “Ken je me nog?” “Ja natuurlijk,” zei ik. “Je was een van mijn eerste leerlingen. Ik ben je altijd een beetje blijven volgen en draaide af en toe iets van je in mijn radioprogramma’s.”