4. 1
Van het Paradijs naar de hemel?
In het rampjaar 1672 moest de Republiek der Verenigde Nederlanden zich voorbereiden op een aanval van de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV. Als vooruitgeschoven post van de Republiek kreeg de vesting Maastricht een tijdlang een garnizoen van ongeveer elfduizend man gehuisvest. Deze concentratie krijgsvolk in de beperkte ruimte binnen de stadsmuren leidde tot grote hygiënische en medische problemen. Een groot aantal zieke en gewonde soldaten werd opgenomen in‘ het sieckhuys genaampt het Paradijs’. Dit uit barakken bestaande complex lag in de Nieuwstad( het huidige Jekerkwartier tussen de Pater Vinktoren en de Poort Waerachtig) buiten de Helpoort en was‘ de ordinarisse plaatse, die dese Stadt gebruyckt tot een gasthuys van de gepestifereerde ende andere contagieuze sieckte’. Toen een commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van stadsbestuur en garnizoen, de instelling in het najaar inspecteerde, bleken er ernstige wantoestanden te heersen. Een van de oorzaken daarvan was het feit dat de verantwoordelijke officieren geen financiële bijdrage betaalden voor de verpleging en verzorging van hun opgenomen soldaten. Het stadsbestuur had daar meermalen over geklaagd en vastgesteld dat daardoor de zieke soldaten‘ seer quaelyck geaccommodeert syn, ende miserabel blijven liggen’. Helaas was dat niet het enige probleem in het Paradijs. Er bleken ook veel gezonde personen te verblijven die op stadskosten werden gevoed en er bestond‘ weinigh ordre(...) in’ t tracteeren en cureren der siecken en gequetsten’. Tot slot werd vastgesteld dat‘ den binnenvader oft Opsiender oock de minste Capaciteyt niet en scheen te hebben om soo danich sieckhuys waar te neemen(...)’.
De commissie greep in en bepaalde dat de meeste gezonden het gasthuis terstond dienden te verlaten en dat de stadsdoktoren en-chirurgijns ervoor moesten zorgen dat opgenomen militairen naar behoren werden verzorgd. Daarnaast had de commissie het kruisherenklooster, het bonnefantenklooster en het klooster van de faliezusters bezocht en vastgesteld dat er in die kloosters geen geschikte ruimtes waren om in de winter zieken en gewonden onder te brengen. Als geschikt alternatief kwam wel het minderbroedersklooster uit de bus. Er verbleven daar weliswaar weeskinderen, maar die zouden dan moeten verhuizen naar het jezuïetenklooster. Het stadsbestuur ondersteunde dit plan en op 19 mei 1673 gaven ook de Staten- Generaal toestemming het plan uit te voeren. De belegering van 1673 verhinderde echter de uitvoering van de plannen.