Van godshuis naar academisch ziekenhuis | Seite 199

Links: Operatie in het Sint-Annadalziekenhuis 1986. | Archief azM
Rechts: Portret van J. Verhey, voorzitter van het Bestuur van het Sint- Annadalziekenhuis en eerste voorzitter van het academisch ziekenhuis Maastricht van 1980 tot 1990. | RHCL
197
Terwijl Annadal verder uitbreidde, had de Commissie Voorbereiding Medische Faculteit Maastricht onder leiding van dr. J. G. H. Tans ook niet stilgezeten. In 1973 werden de eerste hoogleraren benoemd en in september 1974 begonnen de eerste vijftig studenten met hun opleiding geneeskunde in Maastricht. Toen werd het pas echt menens met de academisering. Niet alleen uitbreiding van staf en bedden was aan de orde, maar het ziekenhuis moest ook worden aangepast aan de academische eisen. Daartoe werd op 20 augustus 1975 de Overeenkomst Rijk-Annadal gesloten. Uit het verloop der dingen in de jaren daarna zou men kunnen concluderen dat de directie en de staf van het ziekenhuis met de academisering hadden ingestemd zonder zich goed te realiseren hoe complex die operatie zou worden voor het bestuur, voor de infrastructuur van het ziekenhuis en ook voor de medische staf.
Die complexiteit van de academisering had overigens niet alleen met het Sint-Annadalziekenhuis van doen, maar lag ook besloten in het feit dat de nieuwe medische faculteit de modernisering van het medisch onderwijs en de gezondheidszorg als kerntaak had meegekregen. De uitgangspunten daarvan waren vastgelegd in de Basisfilosofie Achtste Medische Faculteit. Belangrijke onderdelen daarvan waren de nadruk op eerstelijnszorg en de vorming van een Medisch Regionaal Centrum( MRC). In het MRC zouden de samenwerkende regionale ziekenhuizen een virtueel academisch centrum vormen. Daarin was geen plaats voor een klassiek academisch ziekenhuis. Dit MRC-concept hield de regio en de faculteit lange tijd bezig en kende uitgesproken voorstanders en even overtuigde tegenstanders. Het MRC is nooit tot stand gekomen. De discussies over het MRC, binnen en buiten Maastricht, zorgden wel voor onzekerheid over de academisering van Sint-Annadal.
Trage besluitvorming over de rijksbijdrage bij de betrokken ministeries belemmerde de academisering ernstig. Aanvankelijk gingen de discussies met het Rijk nog over beleid en inhoud, maar toen de jaren van naoorlogse economische groei in Nederland definitief voorbij waren, gingen de gesprekken met opeenvolgende ministers en staatssecretarissen over geld. De toegezegde rijksbijdrage bleef lang uit, waardoor het Annadal veel langer dan bedoeld zijn reserves moest aanspreken om de academisering voor te financieren.
Binnen het ziekenhuis leverde de academisering ook fricties op. De combinatie van het besturen van een nog steeds groeiend algemeen ziekenhuis en een academisch ziekenhuis in opbouw bleek voor bestuur en directie teveel van het goede. In 1977 werd naast het bestuur Sint-Annadal een tweede bestuur Ziekenhuis Maastricht ingesteld. Het Annadalbestuur zorgde voor de exploitatie van het bestaande ziekenhuis en het bestuur Ziekenhuis Maastricht kon zich volledig concentreren op de doelstellingen van het academisch ziekenhuis en de voorbereiding van de nieuwbouw. In feite was dit een afspiegeling van het inwonen van het academisch ziekenhuis in Annadal. De onderlinge verhoudingen werden nog wat gecompliceerder toen de voorzitter van het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Limburg, dr. J. G. Tans, in 1976 ook werd benoemd tot voorzitter van het bestuur van het Sint- Annadalziekenhuis. Het besturen van de combinatie was niet alleen op topniveau lastig. Duidelijk bleek dat de organisatie en de ondersteunende diensten, toegerust voor het besturen van een algemeen ziekenhuis, niet toereikend waren voor een academisch ziekenhuis.
Met de zittende specialisten ontstond een langslepend conflict over de academisering dat binnen en buiten het ziekenhuis veel negatieve aandacht kreeg. Er was een