7. 3
194
De academisering van Annadal
Onder: Omslag van het boek waarin de kunstenaar Charles Eyck zijn verblijf in het Sint-Annadalziekenhuis tekent en beschrijft. | Publicatie met toestemming van de heer R. M. H. Eyck
Rechts: Luchtfoto Sint-Annadalziekenhuis 1986. | Archief azM
In mei 1980 was beeldend kunstenaar Charles Eijck bijna vier weken opgenomen op de klasseafdeling van het ziekenhuis Sint-Annadal. Op het terrasje voor zijn kamer, in de rooksalon of vanuit zijn bed, tekende en schreef hij over die opname in het boek Mijn vacantie in de witte dalen van St. Annadal. Eijck miste zijn buiten in het Ravensbos, maar schreef verder over het overwegend ontspannen verblijf, met bijzondere aandacht voor Maastrichtse verpleegkundigen, voor zijn voeten en zijn bloedplaatjes. En dat terwijl Annadal toen in een zeer turbulente periode van academisering terecht was gekomen. Zes jaar later gaf het bestuur van het academisch ziekenhuis Maastricht het boek cadeau aan alle medewerkers als aandenken aan het inmiddels opgeheven Sint-Annadalziekenhuis.
Het ziekenhuis Sint-Annadal bestond vijftien jaar toen de strijd om de vestiging van de achtste medische faculteit in Nederland in alle hevigheid losbarstte. Die strijd zou het ziekenhuis niet onberoerd laten. In 1965 was de Stichting Wetenschappelijk Onderwijs Limburg( SWOL) opgericht. Onder voorzitterschap van gouverneur mr. dr. Ch. J. M. P. van Rooy moest deze stichting zorgen voor de vestiging van een universiteit met een medische faculteit in Zuid-Limburg. De SWOL had daarvoor goede argumenten. Er bestond behoefte aan een forse uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen voor geneeskundestudenten en een rechtvaardige spreiding van het hoger onderwijs was van belang om de relatieve achterstand van het aantal Limburgse studenten in universitaire studies te verminderen. En vestiging van een medische faculteit was gunstig voor de gezondheidszorg en de volksgezondheid. Bovendien zou de vestiging in Maastricht van een universiteit van groot belang zijn voor de economische herstructurering van de regio, waarin net de sluiting van de steenkolenmijnen was afgekondigd. Soortgelijke argumenten werden echter ook ingebracht door de concurrentie in Twente, Tilburg en Eindhoven.
Een studiecommissie onder leiding van mr. G. E. van Walsum, die als burgemeester van Rotterdam in 1965 de zevende medische faculteit had binnengesleept, adviseerde de minister van Onderwijs en Wetenschappen omstreeks 1980 positief over de oprichting van een achtste medische faculteit, maar dan wel gekoppeld aan een nieuw academisch ziekenhuis met een omvang van 1.000 tot 1.250 bedden. De commissie Van Walsum was verdeeld over de vestigingsplaats en deed daarover geen aanbeveling. Geen van de potentiƫle vestigingssteden beschikte echter over de middelen en de capaciteit voor de bouw van een groot universitair ziekenhuis. In die situatie kwam de bereidverklaring van het bestuur en de